ECLI:NL:RBZWB:2026:3596

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445980 / JE RK 26-427
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging en gezinsproblematiek

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om een ondertoezichtstelling van een minderjarige die ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door langdurige onveiligheid, huiselijk geweld, middelengebruik en gedragsproblemen. De minderjarige heeft ADHD, een laaggemiddeld intelligentieniveau en vertoont stagnatie en achteruitgang op meerdere leefgebieden. De moeder is overbelast en kan onvoldoende grenzen stellen.

Tijdens de zitting en het kindgesprek geeft de minderjarige aan dat hij positieve stappen zet, zoals het hebben van een baan en een beter dagritme, en hij wil laten zien dat verdere hulp niet nodig is. De begeleider erkent deze positieve ontwikkeling maar wijst op de kwetsbaarheid en het risico op terugval. De moeder ondersteunt de positieve lijn maar vreest dat de ondertoezichtstelling demotiverend kan werken en een opstapje naar een gesloten plaatsing kan zijn.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan vanwege de langdurige en hardnekkige problematiek en de beperkte bestendigheid van de positieve ontwikkeling. De ondertoezichtstelling wordt toegewezen voor zeven maanden, met een vervolgzitting gepland in oktober 2026 om de situatie opnieuw te beoordelen. De kinderrechter benadrukt het belang van een verklarende analyse en een plan dat rekening houdt met de wensen en ontwikkeling van de minderjarige, en sluit een gesloten plaatsing voorlopig uit.

Uitkomst: De kinderrechter wijst de ondertoezichtstelling toe voor zeven maanden met een vervolgzitting in oktober 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445980 / JE RK 26-427
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een tweetal vertegenwoordigers van de Raad;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de GI;
  • de heer [begeleider] , werkzaam als ambulant begeleider en ggz-verpleegkundige bij [psychologenpraktijk] , (telefonisch gehoord).
1.3.
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de vader.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 27 juli 2023 heeft de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 juli 2023 en tot 27 januari 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] is tijdens zijn vroege jeugd geconfronteerd en getuige geweest van langdurige onveiligheid en ingrijpende gebeurtenissen, waaronder huiselijk geweld, middelengebruik en bedreigingen. Ook tijdens zijn verdere opgroeien is [minderjarige] geconfronteerd met risicovolle en mogelijk traumatische ervaringen. Dit betreft onder meer geweld, wapengebruik en een ernstig incident voorgedaan binnen de instelling waar hij enige tijd verbleef. [minderjarige] heeft daarnaast ADHD en een laaggemiddeld intelligentieniveau. Al vanaf jonge leeftijd zijn er bij [minderjarige] aanwijzingen voor aandachtsproblemen, impulsiviteit, motorische onrust, vergeetachtigheid en moeite met plannen en overzicht. Dit patroon loopt ook nu nog als een rode draad door zijn ontwikkeling. [minderjarige] is inmiddels op alle leefgebieden gestagneerd, waarbij hij niet vooruit lijkt te gaan in zijn ontwikkeling, maar eerder achteruit. [minderjarige] gaat niet naar school, heeft geen dagbesteding, blowt dagelijks en heeft een omgekeerd dag- en nachtritme. Daarnaast zijn er zorgen over beïnvloeding van [minderjarige] door een negatief netwerk en het risico op afglijden binnen dit milieu. Hij heeft zich vorig jaar moeten verantwoorden tegenover de kinderrechter in het kader van een strafzaak en de verwachting bestaat dat hij dit binnenkort opnieuw zal moeten doen in verband met het niet nakomen van de regels en afspraken in het kader van zijn werkstraf. Ook de thuissituatie van [minderjarige] geeft de nodige zorgen. De opvoeding van zowel [minderjarige] als zijn oudere broer, maar ook persoonlijke gebeurtenissen, lijken de moeder de afgelopen jaren te hebben uitgeput. Dit heeft bij haar geleid tot een situatie van overbelasting en handelingsverlegenheid. De moeder heeft geen grip op [minderjarige] en het lukt haar onvoldoende om passende regels en grenzen te bieden. Ook betrokken hulpverlening krijgt onvoldoende grip op [minderjarige] en hij komt zijn begeleidings- en behandelingsafspraken niet na. Hij laat zeer zelfbepalend gedrag zien en is beperkt te sturen en te begrenzen. De Raad vindt het nodig dat er verandering komt in de huidige situatie. Een uithuisplaatsing is overwogen, maar de Raad ziet echter nog mogelijkheden om andere hulp aan te wenden, waarbij onderzocht moet worden of minder ingrijpende maatregelen haalbaar zijn. Dit zou binnen de ondertoezichtstelling moeten gebeuren. Binnen het vrijwillig kader is er geen ruimte en mogelijkheid om de ouders en [minderjarige] voldoende aan te sturen en te zorgen dat de hulpverlening wordt opgepakt en benut, gelet op de complexiteit van de problematiek en de persoonlijke situatie van zowel de moeder als [minderjarige] . Het is noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken raakt, die de juiste keuzes en beslissingen neemt en de nodige hulpverlening opstart, zodat de zorgen over het opgroeien van [minderjarige] weggenomen kunnen worden. De Raad heeft kennisgenomen van de wens van [minderjarige] om het verzoek aan te houden. Echter is de Raad van mening dat de ondertoezichtstelling wel nodig is. Er lijkt nu sprake van een positieve ontwikkeling, maar gelet op hetgeen in het verleden is gebeurd en de gemelde zorgen is de Raad van mening dat het vrijwillig kader ontoereikend is. Dit heeft niet alleen met de zorgen over [minderjarige] te maken, maar ook met de belastbaarheid van de moeder. Zij is lange tijd overvraagd geweest en onvoldoende in staat zelf de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De Raad wil een gesloten plaatsing voorkomen en hoopt dat de ondertoezichtstelling dit ook kan voorkomen. Van belang is dat een gedeelde verklarende analyse wordt opgesteld, waarin ook de ontwikkeling en wensen van [minderjarige] meegenomen moeten worden. [minderjarige] en de moeder moeten beschermd worden middels een goed plan, waarop bijgestuurd kan worden als [minderjarige] dreigt terug te vallen en te voorkomen dat de zorgen toenemen. Als het verzoek wordt aangehouden voor de duur van zes tot acht maanden, dan is [minderjarige] 17 en is er nog maar heel weinig tijd om in te grijpen op de verandering die dan nodig is. De Raad handhaaft derhalve primair het verzoek. Subsidiair kan de Raad ermee instemmen om de ondertoezichtstelling voor een kortere periode uit te spreken, bijvoorbeeld zes tot negen maanden. In die periode kan [minderjarige] dan laten zien dat hij samen met de GI en de rondom hem staande belangrijke volwassenen in staat is om een verklarende analyse op te stellen, zodat er een gedegen plan voor de toekomst ligt waarmee hij verder kan én waarbinnen [minderjarige] kan laten zien dat hij in staat is om de positieve lijn vast te houden. In de overweging om al dan niet een ondertoezichtstelling uit te spreken zou naar de mening van de Raad ook moeten worden dat de heer [begeleider] , zijn begeleider, heeft verklaard dat [minderjarige] vaker positieve periodes heeft gekend die vervolgens werden opgevolgd door minder goede periodes. Ook zijn er in de afgelopen periode maar twee afspraken geweest tussen [minderjarige] en de heer [begeleider] . De Raad is derhalve nog niet geheel overtuigd dat nu sprake is van een bestendige positieve ontwikkeling.
4.2.
[minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat hij begrijpt dat er zorgen waren over hem, maar hij vindt dat deze zorgen nu niet meer van toepassing zijn. Sinds hij uit [accommodatie] is gekomen heeft hij zich een maand depressief gevoeld, maar sinds een maand heeft hij het idee dat hij weer zichzelf is. [minderjarige] is thuis meer aanwezig, laat de hond uit en doet wat huishoudelijke klusjes. Dat deed hij voorheen nooit. Nu wordt hij ook ’s morgens wakker, in plaats van ’s middags. De laatste drie weken heeft [minderjarige] ook een baantje gehad en hij zal nu bij een nieuwe werkgever als afwasser aan de slag gaan. [minderjarige] vindt dat het de laatste drie weken erg positief gaat. De hulp die [minderjarige] tot nu toe heeft gehad heeft niet echt geholpen en hij heeft nu zelf ook de keuze gemaakt om uit het dal te klimmen. Hij denkt daarom ook dat het niet nodig is om nog verdere hulp te krijgen. [minderjarige] vindt dat alleen hijzelf kan zorgen om te bereiken wat hij zou willen bereiken. Dat beseft hij nu. De situatie in februari van dit jaar, waarbij de moeder hem in bed had aangetroffen met grote pupillen kwam niet door harddrugs, maar wel door de combinatie van het gebruik van alcohol, blowen en Concerta. Hij blowt nu nog maximaal twee joints per dag en dan net voordat hij gaat slapen. Daarnaar gevraagd geeft hij aan dat hij weet dat dit nog steeds slecht is voor zijn verdere ontwikkeling. [minderjarige] zou graag tot aan de zomer de kans krijgen om te laten zien dat hij het goed blijft doen en hoopt dat de kinderrechter dan ziet dat de ondertoezichtstelling niet nodig is. [minderjarige] weet nog niet of hij opnieuw naar school zal gaan. Hij werkt liever. [minderjarige] zou graag bij defensie gaan werken. [begeleider] , zijn begeleider, kan hem ook helpen bij het zoeken naar stages of de inschrijving voor een opleiding. [minderjarige] heeft nog één vriend die hij kent vanaf de basisschool en nog een andere vriend. Hij heeft geen ‘rotzooivrienden’ meer.
4.3.
De heer [begeleider] erkent dat [minderjarige] momenteel stappen zet om positief in het leven te staan. [minderjarige] kent positieve periodes, maar die periodes kunnen dan snel omslaan naar negatieve periodes. Een ondertoezichtstelling heeft geen invloed op de goede stappen die hij momenteel zet, omdat hij geen last heeft van de ondertoezichtstelling als hij zijn best blijft doen. De ondertoezichtstelling is geen straf, maar zorgt er wel voor dat de juiste hulp beschikbaar is voor hem. In minder goede periodes is geen contact met hem mogelijk en lukt samenwerking niet. De afgelopen periode heeft hij ook maar twee afspraken gehad met [minderjarige] ; de laatste was inderdaad vorige week nog. In de minder goede periodes kan de GI veiligheidsafspraken maken en snel opschalen indien nodig. Dat kan de hulpverlening in het vrijwillig kader niet doen en is daarmee ontoereikend.
4.4.
De moeder erkent de positieve periode waarin [minderjarige] nu zit. Als [minderjarige] moet werken dan staat hij op tijd op. [minderjarige] staat ook wel eens om één uur ’s middags op, maar dat is dan vaak in het weekend. Daarnaast klust [minderjarige] bij haar zus. In combinatie met zijn baan heeft [minderjarige] nu dagbesteding. Het gaat redelijk tussen [minderjarige] en zijn broer. De moeder zou graag willen dat [minderjarige] bij haar blijft wonen. [minderjarige] doet het nu langer goed dan zij ooit heeft gezien, zelfs al enkele maanden in plaats van weken. De moeder zou graag willen dat het zo goed blijft gaan. De moeder zou daarnaast graag willen dat [minderjarige] naar school gaat, nog meer regelmaat heeft en dat hij veel minder blowt. Zij ervaart al de nodige steun aan de begeleider van [minderjarige] , de heer [begeleider] , en de betrokken psycholoog, mevrouw [psycholoog] . De moeder realiseert zich dat er nog veel zorgen zijn, maar zij vreest dat de ondertoezichtstelling demotiverend werkt en dat zou zonde zijn, juist omdat het nu zo goed gaat. De moeder hoopt niet dat de ondertoezichtstelling juist zorgt voor een gesloten plaatsing. Zij heeft namelijk begrepen dat de ondertoezichtstelling daar een klein opstapje naar is. Dat is iets waar zowel zij als [minderjarige] voor vrezen.
4.5.
De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat zij vraagtekens heeft over de uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling, met name gelet op de hoeveelheid aan reeds ingezette trajecten en zij vraagt zich verder af of de ondertoezichtstelling [minderjarige] eerder zal helpen of ervoor zorgt dat ze hem kwijtraken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan [1] . De kinderrechter legt hieronder uit waarom. [minderjarige] is in zijn vroege jeugd geconfronteerd en getuige geweest van langdurige onveiligheid en ingrijpende gebeurtenissen, waaronder huiselijk geweld, middelengebruik en bedreigingen. Daarna, tijdens zijn verdere opgroeien, is hij geconfronteerd met risicovolle en ingrijpende ervaringen, waaronder geweld, wapengebruik en een ernstig incident binnen de instelling waar hij verbleef. [minderjarige] heeft daarnaast ADHD en een laaggemiddeld intelligentieniveau. [minderjarige] stagneerde tot voor kort op alle leefgebieden, dan wel liet hierin een achteruitgang zien. [minderjarige] gaat nog altijd niet naar school, blowt dagelijks en had tot voor kort een omgekeerd dag-/nachtritme, ontbrak het hem aan dagbesteding en kwam hij zijn behandelings- en begeleidingsafspraken niet na. Ook was sprake van beïnvloeding vanuit een negatief netwerk en risico’s op het afglijden in dat milieu. [minderjarige] kent langdurige en hardnekkige problematiek. Moeder had onvoldoende grip op [minderjarige] en het lukte en lukt haar niet om voldoende grenzen, regels en duidelijkheid te scheppen in de opvoedingsomgeving van [minderjarige] . [minderjarige] is zelfbepalend en zeer beperkt te sturen. Ook de situatie tussen [minderjarige] en zijn broer is zorgelijk en kwetsbaar. Daardoor ervaart de moeder overbelasting en handelingsverlegenheid in de opvoeding van de twee jongens. De afgelopen jaren hebben ervoor gezorgd dat zij langdurig overbelast is geraakt en is er sprake van negatieve gezinsinteracties.
5.2.
[minderjarige] , maar ook de moeder, hebben tijdens de zitting en het kindgesprek verteld dat er sinds enige tijd sprake is van een kentering. [minderjarige] heeft werk, hij staat in plaats van in de middag nu in de ochtend op en lijkt op weg te zijn om een ritme in zijn dag te vinden. Ook de heer [begeleider] , de begeleider van [minderjarige] , ziet een voorzichtige positieve verandering. [minderjarige] heeft tegen de kinderrechter verteld dat hij begrijpt dat er zorgen over hem waren, maar vindt dat deze niet meer van toepassing zijn. [minderjarige] zou daarom graag de kans krijgen om te laten zien dat de ondertoezichtstelling niet meer nodig is. Hoewel het erg positief is dat [minderjarige] nu goede stappen zet, waarvoor de kinderrechter hem ook complimenteert, moet hij ook vaststellen dat de positieve ontwikkeling nog erg pril is en daarmee dus nog kwetsbaar. Dat is zeker het geval gelet op de forse en langdurig aanwezige zorgen en problematiek. Daarnaast wordt door betrokken hulpverlening opgemerkt dat [minderjarige] vaker (kortdurende) positieve periodes heeft gehad, die vervolgens snel weer omsloegen in minder goede periodes. Hoewel de kinderrechter er niet vanuit gaat dat dit nu weer gebeurd, hij heeft namelijk goed naar [minderjarige] geluisterd en van hem begrepen dat hij nu echt wil veranderen, vindt de kinderrechter de situatie nu nog onvoldoende bestendig en stevig en kunnen daarmee de hierboven genoemde zorgen over [minderjarige] nog niet worden weggenomen. De kinderrechter vindt de ondertoezichtstelling daarom wel nodig.
5.3.
Van belang is dat de in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken jeugdbeschermer aan de slag gaat om een verklarende analyse op te stellen, zoals voorgesteld door de Raad. Op basis daarvan kan worden bezien wat [minderjarige] en de moeder nodig hebben om in de toekomst op een goede en veilige manier verder te kunnen gaan. De kinderrechter geeft de GI in dat kader mee dat hij het te vroeg vindt om nu al stappen te zetten richting een traject bij [kliniek] of MST substance abuse zoals omschreven in het verzoek, nu vanuit bij afwezigheid van een verklarende analyse nog niet is gebleken of deze trajecten ook daadwerkelijk nodig zijn.
De kinderrechter vindt de ondertoezichtstelling daarnaast noodzakelijk zodat bijgestuurd kan worden op het moment dat toch sprake is van een terugval of een situatie waarbij [minderjarige] en/of de moeder extra hulp en/of ondersteuning nodig hebben. Dit om zoveel mogelijk te voorkomen dat [minderjarige] wederom afglijdt. Gelet op de huidige (positieve) ontwikkeling en de duidelijke wens van [minderjarige] dat hij wil laten zien dat hij het kan, vindt de kinderrechter het belangrijk om vinger aan de pols te houden. Daarom zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling toewijzen voor de duur van zeven maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de pro forma datum van 2 oktober 2026. Alsdan zal een nieuwe zittingsdatum worden bepaald waarop het resterende deel van het verzoek zal worden besproken. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [minderjarige] de positieve ontwikkeling vasthoudt en dat hij de samenwerking blijft aangaan met zowel de heer [begeleider] als met zijn psycholoog, mevrouw [psycholoog] , dan wel met andere door de GI noodzakelijk bevonden hulpverlening. Begin oktober zal een nieuwe zitting plaatsvinden, waarvoor [minderjarige] , de moeder, de GI en de Raad nog een oproepbrief zullen ontvangen. Ten behoeve van de nog nader te bepalen zitting verzoekt de kinderrechter de GI om hem uiterlijk één week voorafgaand aan die zitting schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen en verzoekt hij de Raad om zich alsdan uit te laten over de vraag of een ondertoezichtstelling nog langer nodig is. De kinderrechter sluit zich aan bij de door de Raad opgestelde doelen zoals omschreven in het raadsrapport (en hieronder weergegeven), met daarbij de kanttekening dat de noodzaak van de inzet van de trajecten zoals voorgesteld in de rapportage van de Raad eerst vanuit de verklarende analyse moet worden vastgesteld. Bij die overweging dient wat de kinderrechter betreft ook te worden betrokken in hoeverre de mogelijke uitkomst van die trajecten opweegt tegen de mogelijkheid dat de inzet van die trajecten zal leiden tot verzet, en daarmee ook stagnering van de (voorzichtige) positieve ontwikkeling en een mogelijke kentering daarvan.
De doelen ten aanzien van [minderjarige] luiden als volgt:
  • [minderjarige] maakt gezonde keuzes t.a.v. het gebruik van softdrugs;
  • [minderjarige] weet om te gaan met zijn ADHD;
  • [minderjarige] kan zijn emoties passend reguleren en uiten;
  • [minderjarige] heeft heftige gebeurtenissen verwerkt;
  • [minderjarige] heeft een dagbesteding;
  • [minderjarige] heeft een vrije tijdbesteding;
  • [minderjarige] heeft een stabiele vriendenkring;
  • [minderjarige] komt niet in aanraking met politie en/of justitie;
  • [minderjarige] ervaart duidelijkheid en structuur in de opvoedomgeving.
5.4.
De kinderrechter overweegt tot slot dat het belangrijk is dat de GI zowel [minderjarige] als de moeder meeneemt in de vervolgstappen, de doelen van de ondertoezichtstelling en hetgeen hier voor nodig is, nu de moeder en [minderjarige] zich zorgen maken dat [minderjarige] opnieuw gesloten zal worden geplaatst en zij de indruk hebben dat de ondertoezichtstelling hiervoor slechts een opstapje is. De kinderrechter benadrukt dat een gesloten plaatsing nu niet aan de orde is, maar dat deze situatie wel kan veranderen op het moment dat de situatie rondom [minderjarige] opnieuw verslechterd.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister [2] .
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 31 maart 2026 en tot 31 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de pro forma datum van
2 oktober 2026 en bepaalt dat alsdan een nieuwe zittingsdatum zal worden bepaald omstreeks medio oktober 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 14 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.