Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de vader;
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
voorwaardelijkemachtiging gesloten jeugdhulp. Het college is het niet volledig eens met de verklaring van de gedragswetenschapper. Er moet iets gaan veranderen en dat wordt ook zo door [minderjarige] beleefd. Het college ziet ook dat het [minderjarige] tot op heden niet lukt haar gedrag structureel aan te passen. Het college vreest dat [minderjarige] op dit moment in een open instelling teveel zal worden beïnvloed. Er zijn vooral zorgen over de veiligheid van [minderjarige] wanneer de plaatsing bij [accommodatie] nu al wordt beëindigd. Het college is van mening dat het beter is voor [minderjarige] om nog iets langer bij [accommodatie] te blijven. Als [minderjarige] nu terugkeert naar de [behandelgroep] , vreest het college dat de gesloten plaatsing te kort is geweest en er alsnog een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp verzocht moet gaan worden.
5.De beoordeling
6.De beslissing
voorwaardelijkemachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 20 april 2026 tot 20 oktober 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte plan van aanpak zijn gesteld.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.