Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3600

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
BRE 24/2753
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet betalen griffierecht

Belanghebbende stelde beroep in tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2021, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig voldoen van het griffierecht. Belanghebbende betwistte de ontvangst van de betalingsherinnering en voerde aan dat de handtekening op het ontvangstbewijs niet van haar was.

De rechtbank onderzocht of het verzet gegrond was en oordeelde dat het vermoeden van ontvangst van de aangetekende brief door de handtekening op het ontvangstbewijs niet onomstotelijk was, mede omdat er meerdere verschillende handtekeningen in het dossier stonden. Belanghebbende gaf een geloofwaardige verklaring over haar woonsituatie en eerdere postproblemen.

Hierdoor kon niet met redelijke zekerheid worden vastgesteld dat belanghebbende in verzuim was. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, vernietigde de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en vervolgde de procedure in de stand waarin deze zich bevond. Het griffierecht dient alsnog te worden betaald.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet betalen van het griffierecht wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2753

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende telefonisch deelgenomen.

Feiten

2. Op 29 februari 2024 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 januari 2024. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.16.01.
2.1
Op 24 april 2024 is er per aangetekende post een betalingsherinnering naar het adres van belanghebbende gestuurd. Uit de gegevens van PostNL kan niet worden afgeleid of het poststuk op het adres van belanghebbende is bezorgd. Uit de Track & Trace-gegevens van PostNL blijkt wel dat een handtekening is geplaatst.
2.2
De griffie heeft op 30 augustus 2024 opnieuw een aangetekende betalingsherinnering naar het adres van belanghebbende gestuurd. Volgens de informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden betalingsherinnering op 31 augustus 2024 om 13:50 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Het griffierecht was niet tijdig door belanghebbende voldaan. Om die reden heeft de rechtbank de zitting vereenvoudigd afgedaan en het beroep op 27 juni 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Op 8 augustus 2025 heeft belanghebbende een verzetschrift ingediend. Belanghebbende is van mening dat het beroep ten onrechte en zonder nader onderzoek niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende betwist de ontvangst van de aangetekende brief van 30 augustus 2024 en geeft aan dat de handtekening niet van haar is.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 27 juni 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3.1
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.2
De termijn voor het betalen van het griffierecht bedraagt vier weken, met ingang van de dag na die van verzending van de nota van griffierecht. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.3.
Het griffierecht is niet voldaan. Belanghebbende stelt dat dit komt omdat zij de betalingsherinnering niet heeft ontvangen.
3.4
De rechtbank stelt voorop dat de verzending van een stuk per post het vermoeden rechtvaardigt van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres. Belanghebbende dient bij een gestelde niet-ontvangst van een stuk dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat het stuk niet op haar adres is ontvangen of aangeboden. Het is voldoende dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert de ontvangst of aanbieding van het stuk redelijkerwijs kan worden betwijfeld. [2]
3.5
De door de griffier bij PostNL ingewonnen informatie over de aangetekende brief van 30 augustus 2024 rechtvaardigt het vermoeden dat het poststuk met de betalingsherinnering op 31 augustus 2024 om 13:50 uur op regelmatige wijze is aangeboden op het adres van belanghebbende. De uitspraak van 27 juni 2025 is samen met een kopie van de betalingsherinnering en de Track & Trace-gegevens van PostNL aan belanghebbende verstrekt. De omstandigheid dat de handtekening op het bewijs van ontvangst niet van belanghebbende is, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat de ontvangst van de betalingsherinnering redelijkerwijs moet worden betwijfeld. De rechtbank is echter van oordeel dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de betalingsherinnering op het adres is ontvangen of aangeboden. In het dossier zijn namelijk verschillende Track & Trace-documenten opgenomen, waarin te zien is dat twee verschillende handtekeningen zijn gezet. Belanghebbende heeft ter zitting een geloofwaardige verklaring afgelegd dat zij de betalingsherinnering niet heeft ontvangen, en heeft in dat verband gewezen op haar woonsituatie in een appartementengebouw en over eerdere problemen met de postbezorging.
3.6
De rechtbank is dan ook van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Belanghebbende is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep.

Conclusie en gevolgen

4. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2025 vervalt en dat het onderzoek van de zaak door de rechtbank wordt voortgezet in de stand waarin het zich daarvoor bevond. Ter zake van deze procedure dient alsnog een griffierecht van € 51 te worden geheven.
4.1
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.vgl. HR 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:705.