Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3602

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/3616
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 6:15 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake kwijtschelding en saneringsregeling belasting

Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 22 september 2025, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om te oordelen over verzoeken tot kwijtschelding van belastingschulden, saneringsregelingen en schadevergoeding. Belanghebbende betwistte ook dat het griffierecht was betaald.

De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 behandeld en beoordeelt dat de belastingrechter niet bevoegd is voor deze besluiten, die onder de civiele rechter vallen. De rechtbank bevestigt dat het griffierecht op 22 augustus 2025 is ontvangen, maar dat dit geen invloed heeft op de onbevoegdverklaring.

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond, handhaaft de eerdere uitspraak en draagt de griffier op het betaalde griffierecht terug te betalen aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van de rechtbank wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 september 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 22 september 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard. Belanghebbende heeft de rechtbank in beroep verzocht om de Belastingdienst te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan een kwijtscheldings- en saneringsregeling en om de Belastingdienst te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van schade die is geleden.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van belanghebbende en namens de ontvanger mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
2.1
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 22 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de rechtbank onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.2
Belanghebbende heeft aangevoerd twijfels te hebben over de uitspraak van 22 september 2025 van de rechtbank. Belanghebbende stelt dat er sprake is van een bestuursrechtelijk geschil, waarbij behandeling door de bestuursrechter dient te gebeuren. Belanghebbende wijst hiervoor naar de informatie op Rechtspraak.nl, waaruit volgt dat tegen besluiten van een bestuursorgaan beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Volgens belanghebbende is het onduidelijk waarom de zaak door de rechtbank bij de belastingrechter is ondergebracht. Belanghebbende hoopt middels het instellen van verzet, meer duidelijkheid te krijgen over waar zijn zaak nou bij hoort. Daarnaast heeft belanghebbende betwist dat geen griffierecht zou zijn betaald. Het griffierecht zou volgens belanghebbende op 22 augustus 2025 zijn betaald.
2.3
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.4
De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over een beslissing over kwijtschelding van belastingschulden, het treffen van een saneringsregeling en het toekennen van een schadevergoeding. [2] De belastingrechter is slechts bevoegd kennis te nemen van bepaalde beslissingen van de ontvanger. De beslissing van de ontvanger of de directeur van de Belastingdienst op een verzoek om kwijtschelding en/of het treffen van een saneringsregeling behoort daartoe niet. Hetzelfde geldt voor een verzoek om een schadevergoeding die samenhangt met (de afwijzing van) die regelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak van 22 september 2025 juist en op goede gronden genomen. De rechtbank heeft daarin ook een verwijzing opgenomen naar de relevante wetgeving waar dit uit volgt.
2.5
De civiele rechter is ter zake bevoegd. Het instellen van een civiele procedure geschiedt door middel van een dagvaarding of een verzoek. Met het doorzenden van een beroepschrift wordt niet voldaan aan de geldende indieningsvereisten. Op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb is hiertoe ook geen verplichting in dit geval.
2.6
Uit de administratie van de rechtbank is gebleken dat het griffierecht op 22 augustus 2025 door de rechtbank is ontvangen. Ten onrechte is in de uitspraak van 22 september 2025 overwogen dat het griffierecht niet is ontvangen. Aangezien de rechtbank onbevoegd is, zal aan de griffier worden opgedragen het griffierecht terug te betalen aan belanghebbende. Deze gang van zaken is verder geen aanleiding om het verzet gegrond te verklaren. [3]

Conclusie en gevolgen

3. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 22 september 2025, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
3.Vgl. Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:457.