Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op het bezwaar tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werkneemster voor een WIA-uitkering. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is vanwege overschrijding van de beslistermijn, nadat eiseres het UWV op 2 januari 2026 in gebreke had gesteld.
Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de reden is voor de vertraging en dat onduidelijk is wanneer een besluit kan worden genomen. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog te beslissen, rekening houdend met het belang van zorgvuldige besluitvorming en het belang van tijdige besluitvorming voor eiseres.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. De reeds verstreken periode leidt tot een vaststelling van een dwangsom van €1.442. Het UWV wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 30 april 2026.