Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
- de toetsing van het voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar van de Raad van 16 maart 2026.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
De kinderrechter acht het onacceptabel dat de traumabehandeling die op [zorgorganisatie 2] is gestart nog steeds niet is voortgezet. [minderjarige] verblijft sinds november 2025 op de behandelgroep, maar ontvangt tot heden geen enkele behandeling. Naar het oordeel van de kinderrechter dient dit nu voortvarend en zo nodig door een externe partij opgepakt te gaan worden. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de komende maanden zorgvuldig onderzocht moet worden of er een passendere, rustigere setting mogelijk is voor [minderjarige] , alsmede dient gekeken te worden of externe dagbesteding mogelijk is voor [minderjarige] .
6.De beslissing
op [datum] 2026 om [tijd] uur, teneinde de GI, de moeder en de vader op het resterende verzoek te horen;
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 15 april 2026.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.