ECLI:NL:RBZWB:2026:3660

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445315 / JE RK 26-299
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige met complexe problematiek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2010, die sinds november 2025 verblijft op een behandelgroep van een jeugdhulpaanbieder. De minderjarige heeft een complexe problematiek, waaronder een reactieve hechtingsstoornis en trauma- of stressgerelateerde stoornis, en heeft een ontwikkelingsleeftijd van maximaal drie jaar. Hij ervaart veel spanning en onveiligheid, waardoor hij niet naar school kan en nog niet in staat is thuis te wonen.

De moeder en de minderjarige zelf geven aan dat de huidige behandelgroep niet passend is; de minderjarige voelt zich er onveilig en heeft suïcidegedachten geuit. De traumabehandeling die eerder was gestart is nog niet voortgezet. De gecertificeerde instelling benadrukt dat vanwege de complexiteit en de zorgbehoefte verlenging noodzakelijk is, omdat de ouders de benodigde professionele hulp niet kunnen bieden.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan, maar verlengt de maatregelen slechts voor vier maanden en houdt het resterende deel van het verzoek aan voor een tussentijds toetsmoment. Tevens wordt bepaald dat de minderjarige zo spoedig mogelijk door een psychiater moet worden gezien en dat de traumabehandeling voortvarend moet worden opgepakt. De gecertificeerde instelling wordt verzocht schriftelijk verslag uit te brengen over de voortgang. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor vier maanden en houdt het resterende deel aan voor een tussentijds toetsmoment.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445315 / JE RK 26-299
Datum uitspraak: 1 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
  • de toetsing van het voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar van de Raad van 16 maart 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 1 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de partner van de moeder, de heer [naam] .
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 16 april 2025 tot 16 april 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij voornoemde beschikking tevens de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 april 2025 tot 16 april 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging op een behandelgroep van [zorgorganisatie 1] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] verblijft sinds 21 november 2025 op een behandelgroep van [zorgorganisatie 1] . Hij gaat het ene weekend naar zijn vader en het andere naar zijn moeder. [minderjarige] is een angstige en onzekere jongen die vanaf jonge leeftijd veel ingrijpende ervaringen heeft gehad. Zijn gedrag sluit aan bij een ontwikkelingsleeftijd van maximaal drie jaar. Hij heeft weinig vertrouwen in anderen en interpreteert hun reacties snel als afwijzing, waarop hij reageert met boosheid en/of terugtrekking. [minderjarige] heeft een grote behoefte aan nabijheid en erkenning. Hij is overalert en ervaart zoveel spanning, stress en onveiligheid dat hij niet in staat is om naar school te gaan.
4.2.
[minderjarige] verbleef hiervoor op een behandelgroep bij [zorgorganisatie 2] , waar hij met traumabehandeling is gestart. Omdat hij daar niet langer kon blijven, is hij overgeplaatst naar [zorgorganisatie 1] . Deze overstap is een ingrijpende verandering waar [minderjarige] erg aan moet wennen. Hij voelt zich niet fijn op de groep en heeft meerdere keren benoemd naar een andere plek te willen. [minderjarige] staat nog op de wachtlijst om zijn traumabehandeling die is gestart vanuit [zorgorganisatie 2] voort te zetten bij [zorgorganisatie 1] . De GI maakt zich zorgen over de situatie en gemoedstoestand van [minderjarige] . Er wordt gekeken naar externe dagbesteding en er zal worden onderzocht of een andere groep passend kan zijn, maar op dit moment is deze groep de meest geschikte plek voor hem. Vanwege de complexiteit van zijn problematiek zal het vermoedelijk een langdurig traject zijn waarin kleine stappen worden gezet. Omdat [minderjarige] veel vraagt van zijn opvoeders en de GI inschat dat zijn ouders dit niet voldoende kunnen bieden, is verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Op dit moment zijn er nog geen mogelijkheden om de hulpverlening in een vrijwillig kader voort te zetten.
4.3.
Door de moeder is, samengevat, aangegeven dat [minderjarige] het niet naar zijn zin heeft op de groep. Hij krijgt er teveel prikkels en hij vindt het lastig hoe er met hem omgegaan wordt. De moeder maakt zich grote zorgen over zijn situatie en welzijn. Zijn medicatie was niet op orde en hij krijgt geen behandeling. Sinds de overstap naar [zorgorganisatie 1] is [minderjarige] somber en heeft hij zelfs suïcidegedachten uitgesproken naar zijn moeder. Hij heeft het gevoel dat hij niet serieus genomen wordt door de begeleiding. Hoewel de moeder het lastig vindt om het verzoek volledig te ondersteunen, erkent ze dat dit momenteel de enige manier is om [minderjarige] verder te helpen. Ze kan [minderjarige] als moeder liefde en structuur bieden, maar niet de professionele hulp die hij hard nodig heeft.
4.4.
[minderjarige] heeft, samengevat, tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij zich helemaal niet fijn voelt op de groep van [zorgorganisatie 1] . Hij vindt de begeleiding onaardig en streng en het is er te druk met teveel prikkels. Hoewel het een behandelgroep is, is zijn behandeling nog steeds niet gestart en zijn medicatie was ook zo maar gestopt. Bij [zorgorganisatie 2] vond [minderjarige] het heel fijn, maar bij [zorgorganisatie 1] wil hij absoluut niet blijven. Hij wil graag naar huis.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] nog noodzakelijk is. [minderjarige] heeft een fors belaste levensgeschiedenis. Hij heeft vanaf jonge leeftijd veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. [minderjarige] is gediagnosticeerd met een reactieve hechtingsstoornis en een ongespecificeerde trauma- of stressgerelateerde stoornis. [minderjarige] heeft een jaar bij [zorgorganisatie 2] verbleven voor observatie en diagnostiek. [zorgorganisatie 2] heeft geadviseerd om [minderjarige] op een 24-uurs behandelgroep te plaatsen met kennis en expertise van zijn complexe gedrag en een traumasensitieve benadering. Vervolgens is [minderjarige] in november 2025 geplaatst bij [zorgorganisatie 1] . Deze overstap is voor [minderjarige] een ingrijpende verandering. Hij voelt zich niet fijn op de groep. Hij heeft dagbesteding op de groep, maar staat nog steeds op de wachtlijst om de traumabehandeling, die bij [zorgorganisatie 2] is gestart, bij [zorgorganisatie 1] voort te zetten. Gezien de complexiteit van zijn problematiek is het voor [minderjarige] nog niet mogelijk om thuis te wonen. [minderjarige] maakt kleine stappen in zijn ontwikkeling en heeft eerst behandeling nodig.
5.2.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling [1] en de machtiging tot uithuisplaatsing [2] is voldaan. De kinderrechter zal de maatregelen verlengen voor de duur van vier maanden. Het resterende deel van het verzoek, te weten acht maanden, zal worden aangehouden, zodat er een tussentijds toetsmoment kan plaatsvinden. De kinderrechter wil de ontwikkelingen rondom [minderjarige] volgen, omdat zij evenals de moeder en de GI grote zorgen heeft over de situatie en het welzijn van [minderjarige] .
5.3.
Gelet op de zorgelijke uitspraken van [minderjarige] is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk gezien moet worden door een psychiater, mede om zijn medicatie te (her)beoordelen.
De kinderrechter acht het onacceptabel dat de traumabehandeling die op [zorgorganisatie 2] is gestart nog steeds niet is voortgezet. [minderjarige] verblijft sinds november 2025 op de behandelgroep, maar ontvangt tot heden geen enkele behandeling. Naar het oordeel van de kinderrechter dient dit nu voortvarend en zo nodig door een externe partij opgepakt te gaan worden. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de komende maanden zorgvuldig onderzocht moet worden of er een passendere, rustigere setting mogelijk is voor [minderjarige] , alsmede dient gekeken te worden of externe dagbesteding mogelijk is voor [minderjarige] .
De kinderrechter verzoekt de GI om haar uiterlijk twee weken voor de volgende zitting schriftelijk te informeren over de actuele stand van zaken betreffende het voorgaande, alsmede haar standpunt te geven over het resterende deel van het verzoek, onder toezending van een afschrift van dit schriftelijke verslag aan de ouders.
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 16 april 2026 tot 16 augustus 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 april 2026 tot 16 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (kinderrechter mr. Pellikaan), in het gerechtsgebouw aan Stationslaan 10 te Breda,
op [datum] 2026 om [tijd] uur, teneinde de GI, de moeder en de vader op het resterende verzoek te horen;
6.5.
verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de zitting schriftelijk verslag uit te brengen over de actuele stand van zaken en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek, een en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 5.3.;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de GI, de moeder en de vader;
6.7.
verzoekt de griffier [minderjarige] in de gelegenheid te stellen zijn mening te geven over het resterende verzoek;
6.8.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 door
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 15 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.