ECLI:NL:RBZWB:2026:367

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/02/436732 / FA RK 25-3141
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 7 lid 1 EU-Verordening 2019/1111Art. 265 RvArtikel 810 RvHaag Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing over aanhechting ouderschapsplan wegens onduidelijkheid gezagspositie minderjarige

De vrouw verzoekt de rechtbank om het door haar en de man overeengekomen ouderschapsplan aan de beschikking te hechten, zodat de afspraken over verzorging, contact en alimentatie executoriaal worden. De minderjarige is in Denemarken geboren, heeft dubbele nationaliteit en woont bij de vrouw in Nederland. De man woont in Denemarken en is niet verschenen in de procedure.

De rechtbank stelt vast dat zij internationaal bevoegd is omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige op de datum van het verzoek in Nederland was. Het toepasselijk recht is Nederlands recht. De rechtbank overweegt dat het verzoek kwalificeert als een verzoek op grond van artikel 1:253a BW, dat betrekking heeft op afspraken over verzorging en opvoeding.

Er bestaat onduidelijkheid over de huidige gezagspositie van de ouders, mede door verschillen in Deens recht en de onduidelijkheid of sprake is van gezamenlijk gezag. Dit is relevant voor de juiste oproepingstermijn van de man en de beoordeling van het verzoek. De rechtbank verzoekt daarom om aanvullende stukken uit Denemarken waaruit blijkt dat beide ouders juridisch ouders zijn en gezamenlijk gezag hebben, en een door de man ondertekende verklaring van instemming.

De rechtbank acht de overgelegde WhatsApp-berichten onvoldoende bewijs van instemming van de man. De beslissing wordt pro forma aangehouden tot 21 april 2026 in afwachting van de gevraagde informatie. Indien de man bezwaar maakt of een nadere zitting wenst, zal die worden gepland. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan in afwachting van nadere informatie over de gezagspositie en instemming van de man.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/436732 / FA RK 25-3141
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking over opnemen ouderschapsplan
in de zaak van
[de vrouw],
Hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.J.M. Veth te Rijen,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 2] , Denemarken,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , Denemarken.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het op 19 juni 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
  • de tijdens de zitting door mr. Veth overgelegde aanvullende bijlage.
1.2.
Op 18 december 2025 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting is de vrouw verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
1.3.
De man is niet in deze procedure verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , in Denemarken.
2.2.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.3.
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Deense nationaliteit. [minderjarige] heeft zowel de Nederlandse als de Deense nationaliteit.

3.Het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om het door partijen overeengekomen ouderschapsplan aan deze beschikking te hechten en te bepalen dat de daarin neergelegde afspraken tussen partijen gelden en deel uitmaken van deze beschikking.
3.2.
Namens en door de vrouw is ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Partijen hebben bij het verbreken van hun relatie afspraken gemaakt over [minderjarige] . Deze afspraken hebben zij neergelegd in een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan. In het ouderschapsplan zijn partijen onder andere overeengekomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw in Nederland heeft (artikel 1), dat de man maandelijks een weekend van vrijdag tot en met zondag contact met [minderjarige] zal hebben (artikel 2), dat de man tijdens de vakanties [minderjarige] kan bezoeken (artikel 4) en dat de man maandelijks een bedrag aan kinderalimentatie zal voldoen aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] (artikel 7). De vrouw stelt dat partijen de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] inmiddels uitvoeren, maar dat de man wacht met de alimentatiebetalingen totdat de regeling hierover door de rechtbank is vastgesteld, althans totdat de man hierover bericht krijgt. De vrouw verzoekt om het ouderschapsplan en de daarin vervatte afspraken vast te leggen, zodat zij een executoriale titel heeft indien de man de afspraken onverhoopt niet nakomt.
3.3.
Namens de vrouw is ter zitting een afschrift van een gesprek tussen partijen via WhatsApp overgelegd, waaruit blijkt dat de man instemt met (de inhoud van) het ouderschapsplan. De vrouw ging er overigens van uit dat de man zijn mening zelf al kenbaar had gemaakt aan de rechtbank.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Aangezien [minderjarige] in Denemarken is geboren, zij daar enige tijd heeft gewoond, zij zowel de Nederlandse als de Deense nationaliteit heeft en de man in Denemarken woont en de Deense nationaliteit heeft, heeft deze zaak meerdere internationale aspecten. Gelet hierop dient de rechtbank eerst vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw, en zo ja, welk recht dan van toepassing is op het verzoek.
4.2.
De rechtbank kwalificeert het verzoek van de vrouw tot vastlegging ouderschapsplan als een verzoek over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter) is in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid de rechter van de Staat waar de gewone verblijfplaats van de minderjarige om wie het gaat, bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarover te oordelen. De peildatum voor die beoordeling is de datum van de indiening van het verzoek.
4.3.
De rechtbank overweegt dat [minderjarige] op [geboortedag] 2025 in Denemarken is geboren. Uitgaande van de stelling van de vrouw en de informatie van de Raad, is de vrouw op 23 april 2025, althans eind april 2025, samen met [minderjarige] naar Nederland gekomen met de bedoeling om zich hier voor onbepaalde tijd te vestigen. Deze intentie blijkt ook uit het overgelegde ouderschapsplan dat uitgaat van de situatie dat de vrouw samen met [minderjarige] in Nederland woont. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat op de datum van de indiening van het verzoek, te weten 19 juni 2025, de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland was gelegen. Dit betekent dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om het verzoek van de vrouw te beoordelen. Op grond van artikel 265 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank.
4.4.
Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 17 HKBV Pro 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op het verzoek.
Huidige gezagspositie over [minderjarige]
4.5.
De rechtbank ziet vervolgens aanleiding om de huidige gezagspositie van [minderjarige] te beoordelen.
4.6.
De rechtbank overweegt dat in het ouderschapsplan staat vermeld: “The parents have joint custody”. De advocaat heeft hierover aangegeven dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat partijen hiermee hebben bedoeld te zeggen dat partijen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen. Wel krijgt diegene die een kind erkent volgens Deens recht het gezag over een kind. De advocaat vraagt zich bovendien af of de huidige gezagspositie over [minderjarige] van belang is bij de beoordeling van het verzoek, nu enkel wordt verzocht om het door partijen overeengekomen ouderschapsplan en de daarin vervatte regelingen vast te stellen in deze beschikking.
4.7.
De rechtbank overweegt dat de regelingen zoals neergelegd in het ouderschapsplan zijn aan te merken als afspraken over de verzorging en opvoeding van de minderjarige in de brede zin, onder andere over het hoofdverblijf en over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank gaat derhalve vooralsnog ervan uit dat de grondslag van het verzoek artikel 1:253a BW betreft. Omdat het gezag hiervoor het uitgangspunt vormt, acht de rechtbank het, in tegenstelling tot de advocaat, van belang om de huidige gezagspositie over [minderjarige] vast te stellen alvorens het verzoek inhoudelijk te (kunnen) beoordelen. De rechtbank betrekt hierbij dat de advocaat niet heeft aangegeven welke wettelijke bepaling(en) naar zijn mening dan precies de grondslag vormt/vormen voor het verzoek.
4.8.
De rechtbank overweegt dat zij, na ontvangst van het verzoekschrift in deze zaak, de namens de vrouw overgelegde vertalingen daarvan in de Deense en in de Engelse taal heeft gestuurd per post naar het adres van de man zoals vermeld in het verzoekschrift. De rechtbank heeft daarnaast de man opgeroepen via de Staatscourant met een termijn van ruim twee maanden. De man is echter niet in deze procedure verschenen. Als partijen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen en het verzoek dient te worden gekwalificeerd als een verzoek in het kader van geschilbeslechting bij gezamenlijk gezag (artikel 1:253a BW), dan volgt uit artikel 5.2 van het procesreglement van de rechtbank gezag en omgang (versie juli 2025) dat er een minimale oproepingstermijn geldt van zes weken. In dat geval is de man correct opgeroepen voor de zitting. Echter, als er geen sprake is van gezamenlijk gezag en/of het verzoek niet dient te worden gekwalificeerd als een verzoek op grond van voormeld artikel, dan geldt een minimale oproepingstermijn van drie maanden. In dat geval is de man dus niet correct opgeroepen voor de zitting. De vaststelling van de huidige gezagspositie over [minderjarige] is dan ook van belang bij de beoordeling van de vraag of de man correct is opgeroepen voor de zitting.
Aanhouding beslissing met verzoek om nadere informatie
4.9.
De rechtbank acht zich, gelet op het voorgaande, op basis van de haar beschikbare informatie op dit moment onvoldoende geïnformeerd om te kunnen beslissen over het verzoek. De rechtbank verzoekt daarom aan (de advocaat van) de vrouw om stukken uit Denemarken te overleggen waaruit blijkt dat beide ouders inderdaad de juridisch ouders van [minderjarige] zijn en dat zij samen het gezag over [minderjarige] hebben. De rechtbank verzoekt daarnaast aan (de advocaat van) de vrouw om een schriftelijke, door de man ondertekende verklaring te overleggen waaruit blijkt dat hij instemt met het verzoek en dat hij geen behoefte heeft aan een nadere zitting bij de rechtbank. Met deze verklaring kan de eventuele incorrecte oproeping van de man indien nodig worden hersteld. De door de vrouw overgelegde appberichten acht de rechtbank onvoldoende om het standpunt van de man in deze zaak te bepalen, nu zij niet met zekerheid kan vaststellen dat de appberichten inderdaad van de man afkomstig zijn en zo ja, op welke dag en tijdstip hij deze berichten dan zou hebben gestuurd. Uitgaande van de stelling van de vrouw geven partijen momenteel uitvoering aan de in het ouderschapsplan neergelegde zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] , op basis waarvan zij iedere maand contact met elkaar hebben. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen op die momenten ook onderling contact met elkaar hebben, waardoor het voor de vrouw dus mogelijk moet zijn om via de man de gevraagde aanvullende stukken te regelen en in haar bezit te krijgen.
4.10.
De rechtbank zal de beslissing in deze zaak pro forma aanhouden voor de duur van drie maanden tot de hierna te noemen datum, in afwachting van de schriftelijke reactie van de advocaat met de gevraagde documenten zoals hiervoor is overwogen. Als de man, anders dan door de vrouw is gesteld, aangeeft dat hij toch niet instemt met het verzoek en/of dat hij behoefte heeft om zijn mening zelf kenbaar te maken tijdens een nadere zitting, dan zal de rechtbank te zijner tijd een nadere zitting plannen en partijen daarvoor oproepen met inachtneming van de daarvoor geldende oproeptermijnen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
houdt de beoordeling en de beslissing in deze zaak aan tot
dinsdag 21 april 2026 PRO FORMA, in afwachting van de schriftelijke reactie van de advocaat en de gevraagde aanvullende documenten zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.9. is overwogen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.10. is overwogen.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. Van Gessel, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.