ECLI:NL:RBZWB:2026:368

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442236 / JE RK 25-2076
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens aanhoudende opvoedproblemen

De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 15 juli 2026. De moeder, die eenhoofdig gezag heeft, en de minderjarige waren niet aanwezig bij de zitting, maar waren correct opgeroepen. De minderjarige heeft het recht om haar mening te geven, maar verscheen niet.

De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 15 januari 2026. De GI gaf aan dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over de opvoedsituatie, mede door spanningen met de meerderjarige halfbroer. Ondanks verschillende hulpverleningsinitiatieven, waaronder een verklarende analyse en een hulpverleningstraject, is de situatie niet verbeterd. Contact met de moeder en minderjarige is moeizaam, waardoor vrijwillige hulpverlening niet mogelijk is.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke vereisten voor verlenging is voldaan, omdat de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige voortduurt en noodzakelijke zorg niet vrijwillig wordt geaccepteerd. De maatregel wordt daarom met zes maanden verlengd en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De GI is voornemens de maatregel binnen deze termijn af te ronden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 15 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442236 / JE RK 25-2076
Datum uitspraak: 8 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 november 2025;
  • het op 7 januari 2026 ontvangen bericht van de GI, met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Daarbij was een vertegenwoordigster namens de GI aanwezig.
1.3.
De kinderrechter constateert bij aanvang van de zitting dat de moeder niet is verschenen. Omdat de moeder is aangemerkt als belanghebbende in deze procedure, dient de kinderrechter te controleren of zij correct is opgeroepen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder op 18 december 2025, daarmee met inachtneming van de minimale oproepingstermijn van een week, zowel per gewone als aangetekende post is opgeroepen voor de zitting op het adres waarmee zij bij de gemeente ingeschreven staat in de Basisregistratie personen (BRP). De kinderrechter stelt derhalve vast dat de moeder correct is opgeroepen voor de zitting. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek daarom buiten aanwezigheid van de moeder voortgezet.
1.4.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Zij is daarom uitgenodigd om haar mening te geven tijdens een gesprek met de kinderrechter op 6 januari 2026. [minderjarige] is echter ook niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI. Bij de nadere beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 juli 2025 is die maatregel voor het laatst verlengd tot 15 januari 2026.

3.Het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder andere het volgende aangegeven. Er zijn nog steeds zorgen over de (opvoed)situatie van [minderjarige]. Daarnaast ervaart [minderjarige] spanningen rondom haar meerderjarige halfbroer die ook thuis woont. Ondanks dat er al verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, is de situatie tot nu toe niet doorbroken. Daarbij komt dat het de GI niet lukt om op een goede manier met de moeder en [minderjarige] in contact te komen en te blijven. Om de ontstane situatie alsnog te doorbreken, is er onlangs een verklarende analyse gestart. Dit onderzoek zal in de komende periode worden voortgezet en afgerond. Daarnaast is er sinds oktober 2025 een hulpverleningstraject vanuit [hulpverlening] gestart voor [minderjarige]. Nu de kennismakingsfase van dat traject is afgerond, zal er vanuit [hulpverlening] in de komende periode worden gewerkt aan de gestelde doelen, waarbij de focus ligt op het vinden van een betere balans tussen school en vrije tijd, het geven van ruimte aan het praten over situaties die zij heeft meemaakt, het uiten van haar emoties en het blijven monitoren van de thuissituatie. De GI heeft ook geprobeerd om in contact te komen met de halfbroer van [minderjarige]. Hij houdt dit contact echter af. Om hem, in het belang van [minderjarige], toch te ondersteunen, heeft de GI een aanvraag gedaan voor begeleid wonen via de WMO. Ook is Novadic Kentron betrokken bij hem voor ondersteuning. Doordat de halfbroer meerderjarig is en hij geen toestemming geeft voor het delen van informatie, weet de GI de huidige stand van zaken met betrekking tot de inzet van hulpverlening voor de halfbroer echter niet. Het komende half jaar zal in het teken staan van het afronden van de verklarende analyse. Aan de hand van de uitkomsten daarvan, zal worden bezien welke (vervolg)hulpverlening het meest passend is. Deze hulpverlening zal dan op vrijwillige basis worden voortgezet. De GI is namelijk voornemens om de ondertoezichtstelling in de komende periode af te ronden. Dit omdat, naar de mening van de GI, binnen die maatregel inmiddels het hoogst haalbare is bereikt.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
4.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
4.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat de zorgen over de (opvoed)situatie van [minderjarige], die hebben geleid tot ondertoezichtstelling, nog steeds aanwezig zijn. Daarnaast is gebleken dat de hulpverlening vanuit [hulpverlening] en de verklarende analyse pas onlangs zijn gestart en dat deze trajecten nog niet zijn afgerond. Nu de moeder en [minderjarige] het contact met de GI afhouden, althans nu het voor de GI niet mogelijk is gebleken om op een goede manier met hen in contact te komen en te blijven, ziet de kinderrechter op dit moment geen mogelijkheden om de noodzakelijk geachte hulpverlening op vrijwillige basis voort te zetten. Daarmee wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige].
4.4.
In de komende periode zal er vanuit de hulpverlening van [hulpverlening] verder worden gewerkt aan de gestelde doelen en zal de verklarende analyse naar verwachting worden afgerond. Aan de hand van de uitkomsten daarvan, zal er naar verwachting passende (vervolg)hulpverlening worden geadviseerd welke vervolgens vanuit het vrijwillig kader kan worden ingezet. Nu de situatie vooralsnog niet doorbroken wordt, ondanks dat er binnen het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] al verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, en het contact tussen de GI en de moeder en [minderjarige] niet op een goede manier tot stand komt en blijft, is de GI voornemens om de maatregel in de komende periode af te ronden.
4.5.
Blijkens het verzoekschrift stemmen de moeder en [minderjarige] in met het verlengen van de ondertoezichtstelling.
4.6.
Om de GI in de gelegenheid te stellen om de maatregel in de komende periode op een goede manier af te ronden, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de verzochte duur van zes maanden, tot 15 juli 2026.
4.7.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de maatregel per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 15 juli 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 16 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.