Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3680

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445697 / JE RK 26-369 (machtiging gesloten jeugdhulp)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging machtiging uithuisplaatsing en toewijzing machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige

De zaak betreft verzoeken van de gecertificeerde instelling tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing en tot verlening van een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige geboren in 2008. De minderjarige verblijft momenteel bij haar vader en is sinds 2019 onder toezicht gesteld. Diverse eerdere machtigingen tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp zijn verleend en verlengd.

De gecertificeerde instelling verzoekt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot aan de meerderjarigheid, maar erkent dat een plaatsing in een open setting momenteel niet passend is. Daarom handhaaft zij het verzoek voor gesloten jeugdhulp. De minderjarige en haar ouders geven wisselende standpunten, waarbij de minderjarige een voorkeur uitspreekt voor een open setting en bezwaren heeft tegen gesloten jeugdhulp.

De kinderrechter overweegt dat er geen passende open plekken beschikbaar zijn en dat de problematiek van de minderjarige ernstig is, met onvoorspelbaar en zorgwekkend gedrag, waaronder weglopen en suïcidale uitingen. Minder ingrijpende mogelijkheden ontbreken, waardoor gesloten jeugdhulp noodzakelijk is om veiligheid en behandeling te waarborgen.

De kinderrechter wijst het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af, maar verleent de machtiging voor gesloten jeugdhulp tot aan de meerderjarigheid. De beslissing is genomen op 2 april 2026 en schriftelijk vastgelegd op 17 april 2026. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is afgewezen en de machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend tot aan de meerderjarigheid van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/445697 / JE RK 26-369 (
machtiging gesloten jeugdhulp) C/02/439105 / JE RK 25-1541 (
restant verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 2 april 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 25-1541:
- de beschikking van 30 september 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de GI met bijlage van 9 maart 2026.
Inzake JE RK 26-369:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 maart 2026;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper, ontvangen op 23 maart 2026.
1.2.
Op 2 april 2026 heeft de kinderrechter, gelet op de onderlinge samenhang, de zaken tijdens de zitting met gesloten deuren gezamenlijk behandeld. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op dit moment bij haar vader.
2.3.
Bij beschikking van 4 april 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 april 2019 en tot 4 april 2020. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot [geboortedag] 2026.
2.4.
Bij beschikking van 4 november 2020 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 november 2020 en tot 4 oktober 2021. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 oktober 2025.
2.5.
Bij beschikking van 20 januari 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 20 januari 2026 en tot 3 februari 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.6.
Bij beschikking van 28 januari 2026 is onder afwijzing van het resterende deel van het spoedverzoek een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 februari 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Het resterende deel van dit verzoek is bij beschikking van 19 februari 2026 afgewezen na intrekking door de GI.

3.Het verzoek

Inzake JE RK 25-1541
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag] 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 8 april 2026 tot [geboortedag] 2026.
Inzake JE RK 26-369
3.3.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag] 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI benoemt dat het resterende deel van het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing kan worden afgewezen omdat een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder niet passend is en er gelet op de problematiek van [minderjarige] geen open plekken zijn waar zij op dit moment terecht kan. De GI handhaaft het verzoek betreffende de machtiging gesloten jeugdhulp. Er zijn op dit moment namelijk geen andere mogelijkheden dan een plaatsing in de gesloten jeugdhulp om het patroon waarin [minderjarige] telkens wegloopt en er een crisissituatie ontstaat te doorbreken. De GI hoopt dat [minderjarige] meer rust zal ervaren bij [zorginstelling] en gaat inzien dat zij hulp nodig heeft.
4.2.
[minderjarige] vertelt dat het wisselend met haar gaat. Zij is de afgelopen periode een aantal keren weggelopen en is één keer vrijwillig opgenomen geweest bij [zorgorganisatie 1] . Zij is recent ook op vrijwillige basis gestart met een behandeling bij de [behandelvoorziening] , maar heeft deze behandeling vroegtijdig beëindigd. [minderjarige] verwacht niet dat een plaatsing in de gesloten jeugdhulp een positief effect zal hebben. Het gaat namelijk minder goed met haar wanneer zij in haar vrijheden wordt beperkt. [minderjarige] wil de mogelijkheid hebben om even naar buiten te gaan, ook ’s nachts, en vindt het belangrijk dat zij haar telefoon bij zich houdt. Ook gunt zij de plek aan een ander. Daar komt bij dat [minderjarige] over vier maanden meerderjarig is, waardoor er sowieso niet meer dan een pril begin van een behandeling kan worden gemaakt bij [zorginstelling] . Hierdoor moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat het verblijf in [zorginstelling] enkel een negatief effect zal hebben op [minderjarige] . Er wordt daarom verzocht het verzoek ten aanzien van de machtiging gesloten jeugdhulp af te wijzen. Omdat [minderjarige] wel achter een verblijf in een open setting zoals een gezinshuis of accommodatie van een jeugdhulpaanbieder staat, kan zij wel instemmen met een plaatsing in een open setting. Dit maakt dat het resterende deel van het verzoek betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden toegewezen.
4.3.
De moeder vindt het vooral van belang dat [minderjarige] de juiste hulp krijgt. Zij maakt zich heel veel zorgen om haar. Het is in de afgelopen periode steeds minder goed gegaan met [minderjarige] en er zijn verschillende vormen van hulpverlening ingezet, maar dit heeft geen positief effect gehad. De moeder ziet daardoor geen andere mogelijkheid dan een plaatsing in de gesloten jeugdhulp, hoewel zij dit liever anders had gezien.
4.4.
De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] geholpen wordt. Hij verklaart dat het wisselend gaat met [minderjarige] in de thuissituatie. Het ene moment is [minderjarige] vrolijk en het andere moment loopt zij weg en kan zij niet worden tegengehouden. Zij is al meerdere keren teruggevonden door de politie en komt op die momenten verward over.
4.5.
De Raad adviseert het verzoek toe te wijzen. Er is in de afgelopen periode veel gebeurd en veel mensen, waaronder [minderjarige] zelf, hebben hard gewerkt om te kijken hoe [minderjarige] het beste geholpen kan worden. Er ontstaan echter steeds opnieuw situaties waarin [minderjarige] onveilig is. Een plaatsing in de gesloten jeugdhulp is de enige mogelijkheid om ervoor te zorgen dat [minderjarige] veilig is en om te onderzoeken welke hulp kan worden ingezet die na haar 18e verjaardag kan worden voortgezet.

5.De (nadere) beoordeling

Inzake JE RK 25-1541
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is gebleken dat een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder op dit moment niet passend is en dat er gelet op de problematiek van [minderjarige] geen plek voor haar beschikbaar is in een open setting. Dit maakt dat de kinderrechter het resterende deel van het verzoek zal afwijzen.
Inzake JE RK 26-369
Het wettelijk kader
5.4.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Tevens dienen er geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
De inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de zorgen over [minderjarige] in de afgelopen maanden steeds verder zijn toegenomen. [minderjarige] toont met momenten zeer onvoorspelbaar gedrag en gebleken is dat er regelmatig escalaties zijn waarbij [minderjarige] wegloopt en vervolgens op onveilige plekken wordt aangetroffen door de politie. Ook doet [minderjarige] suïcidale uitspraken en laat zij verontrustend gedrag zien, waarmee zij zichzelf in gevaar brengt. Er zijn op dit moment geen minder ingrijpende mogelijkheden dan een verblijf in de gesloten jeugdhulp om dit patroon te doorbreken en deze problematiek te behandelen. Een verblijf bij één van beide ouders of een plaatsing in een open setting is op dit moment namelijk niet mogelijk. [minderjarige] verbleef in de afgelopen periode op verschillende plekken, waaronder bij [zorgpension] , bij haar vader, bij haar moeder, bij de [zorgorganisatie 2] , bij [zorgorganisatie 1] en bij de [behandelvoorziening] . In deze periode is een toename in ernst en frequentie van zorgwekkend gedrag gezien en is het niet gelukt om de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen en het patroon te doorbreken. Ondanks de inspanningen van alle betrokkenen, waaronder [minderjarige] zelf, hebben de tot op heden ingezette vormen van jeugdhulp niet geleid tot een structurele gedragsverandering bij [minderjarige] en is gebleken dat deze jeugdhulp de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende heeft kunnen waarborgen.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat, naast de formele vereisten van de Jeugdwet, aan de wettelijke vereisten van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet is voldaan. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden dan een verblijf in de gesloten jeugdhulp zijn om deze problemen te behandelen.
5.7.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] , te weten tot [geboortedag] 2026. De kinderrechter realiseert zich dat dit een korte periode is, maar vindt het vooral van belang dat vanuit een veilige setting kan worden gestart met de benodigde behandeling van [minderjarige] . Het is belangrijk dat deze behandeling van de grond gaat komen bij [zorginstelling] , bij voorkeur in samenwerking met [zorgorganisatie 1] , en dat [minderjarige] de bij [zorginstelling] geboden hulpverlening zal aanvaarden. Verder is het van groot belang dat de GI in de komende periode samen met [minderjarige] , de ouders en de betrokken hulpverlening onderzoekt wat er nodig is voor [minderjarige] na haar 18e verjaardag.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Inzake JE RK 25-1541
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek af;
Inzake JE RK 26-369
6.2.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 2 april 2026 en tot [geboortedag] 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.