In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van eiser beoordeeld. Eiser heeft beroep ingesteld omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 23 april 2025, zoals vereist door artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en doet uitspraak zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn voor de aanvraag was verstreken voordat eiser op 23 juni 2026 beroep heeft ingesteld. Het beroepschrift voldoet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, waardoor eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld. Echter, na het instellen van het beroep heeft het college op 18 augustus 2025 alsnog een besluit genomen. De rechtbank concludeert dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het college, en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Eiser heeft na de beslissing van het college, bij brief van 28 september 2025, inhoudelijke gronden ingediend tegen het besluit van 18 augustus 2025. De rechtbank besluit het beroep, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit, door te zenden naar het college ter behandeling als bezwaar. De rechtbank draagt het college op om het griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden, en er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.