ECLI:NL:RBZWB:2026:37

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/3109
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag Wet open overheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van eiser beoordeeld. Eiser heeft beroep ingesteld omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 23 april 2025, zoals vereist door artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en doet uitspraak zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn voor de aanvraag was verstreken voordat eiser op 23 juni 2026 beroep heeft ingesteld. Het beroepschrift voldoet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, waardoor eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld. Echter, na het instellen van het beroep heeft het college op 18 augustus 2025 alsnog een besluit genomen. De rechtbank concludeert dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het college, en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Eiser heeft na de beslissing van het college, bij brief van 28 september 2025, inhoudelijke gronden ingediend tegen het besluit van 18 augustus 2025. De rechtbank besluit het beroep, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit, door te zenden naar het college ter behandeling als bezwaar. De rechtbank draagt het college op om het griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden, en er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3109

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 23 april 2025 als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Partijen zijn het erover eens dat de beslistermijn voor de aanvraag was verstreken voordat eiser op 23 juni 2026 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat het college na het instellen van het beroep op 18 augustus 2025 alsnog een besluit heeft genomen.
3.2.
Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het college. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Doorzending
4. Bij brief van 4 september 2025 heeft de rechtbank aan eiser de vraag voorgelegd of hij het al dan niet eens is met de beslissing van het college. Eiser kan zich niet in dit besluit vinden, en heeft het beroep niet ingetrokken. Bij brief van 28 september 2025 heeft eiser inhoudelijke gronden tegen het besluit van 18 augustus 2025 ingediend.
4.1.
Gelet op de aard van het geschil ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit te verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar. [2]
4.2.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift en de nader ingediende stukken ingevolge artikel 6:15 van de Awb als bezwaarschrift zal doorzenden aan het bestuursorgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu deze stukken al in het bezit zijn van het college zal de rechtbank hem dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
Proceskosten
5. Omdat het besluit is genomen na het instellen van het beroep, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • draagt het college op om het beroep, gericht tegen het besluit van 18 augustus 2025, in behandeling te nemen als bezwaarschrift;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.