ECLI:NL:RBZWB:2026:370

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
02-265311-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gekwalificeerde doodslag met bijkomende aanranding en tbs-maatregel

Op 10 oktober 2023 heeft verdachte een vrouw in het bos aangerand en vervolgens gedood door haar te wurgen en smoren. Na de daad heeft hij haar lichaam versleept en geprobeerd te verstoppen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en heeft hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar, met daarnaast de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. De benadeelde partij, de weduwnaar van het slachtoffer, heeft een schadevergoeding van € 38.491,48 toegewezen gekregen voor materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft de ernst van het feit en de impact op de nabestaanden zwaar laten meewegen in de strafoplegging. De rechtbank oordeelt dat de tbs-maatregel noodzakelijk is gezien het hoge recidiverisico van verdachte, die lijdt aan schizofrenie en antisociale trekken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-265311-23
vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. A. Çatbaş, advocaat te Amsterdam,
vanaf 18 december 2025 tevens bijgestaan door raadsvrouw mr. S. Ali, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 en 18 december 2025, waarbij de officieren van justitie mr. I.M. Peters en mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is op 26 januari 2026 gesloten.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en zakelijk weergeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie achten bewezen dat verdachte zich op 10 oktober 2023 schuldig heeft gemaakt aan de gekwalificeerde doodslag op mevrouw [slachtoffer] . Zij baseren zich hierbij, kort gezegd, op de aangetroffen verstorings- en versleepsporen op de plaats van het delict, de DNA-sporen op het lichaam en de kleding van mevrouw [slachtoffer] , de bevindingen van de patholoog over het letsel aan het lichaam en de doodsoorzaak van mevrouw [slachtoffer] en de verhullingshandelingen van verdachte. Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer] verkracht en heeft haar gedood om de verkrachting voor te bereiden en gemakkelijker te maken en om straffeloosheid voor de verkrachting bij betrapping op heterdaad te verzekeren. Voor de verkrachting baseert het OM zich met name op de bloeduitstortingen bij de vagina-ingang. Deze zijn op zichzelf staand niet bewijzend voor seksueel geweld maar moeten in de context van de DNA-sporen en de sporen van geweld op het lichaam van mevrouw [slachtoffer] worden gezien. Tevens ziet het OM schakelbewijs in de eerdere Amsterdamse zedenzaak, waar verdachte met zijn vingers in de vagina van dat slachtoffer is binnengedrongen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat alleen de doodslag bewezen kan worden en bepleit vrijspraak voor de gekwalificeerde doodslag. Er kan immers niet worden bewezen dat sprake is geweest van verkrachting of aanranding. Indien de rechtbank daar anders over denkt, kan de gekwalificeerde doodslag alsnog niet worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld of de doodslag heeft plaatsgevonden zodat de verkrachting / aanranding ongestraft zou blijven of dat de verkrachting / aanranding er gemakkelijker door zou worden gemaakt. Ook kan niet worden vastgesteld of eerst de doodslag is gepleegd en dat pas een tijd daarna een zeden gerelateerde, maar dan straffeloze gedachte bij verdachte is opgekomen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Inleiding
Op 10 oktober 2023, omstreeks 15:00 uur, zijn de heer [benadeelde] en zijn vrouw [slachtoffer] gaan wandelen in [plaats] . Na ongeveer driekwartier heeft de heer [benadeelde] het rondje afgebroken, omdat hij slechter ter been is dan mevrouw [slachtoffer] . Zij zou nog een stukje verder wandelen en daarna naar huis komen. De heer [benadeelde] en mevrouw [slachtoffer] hebben daarom afscheid van elkaar genomen en de heer [benadeelde] is naar huis gegaan. Om 18:17 uur heeft de heer [benadeelde] bij de politie gemeld dat zijn vrouw [slachtoffer] niet thuis is gekomen. [benadeelde] en de politie hebben vervolgens gezocht naar mevrouw [slachtoffer] . Haar lichaam is uiteindelijk op 11 oktober 2023, omstreeks 00:22 uur, door de politie gevonden in het [gebied] in [plaats] .
Aantreffen lichaam van mevrouw [slachtoffer] en verstorings- en versleepsporen
Het lichaam van mevrouw [slachtoffer] lag op ongeveer twee en een halve meter van het doorlopend bospad, dat loopt van [gebied] naar de [straat] . Ze lag op haar rug tussen de varens en de overige begroeiing. De schoenen en een groot deel van haar spijkerbroek waren bedekt met bladeren, takjes en ander los organisch materiaal. De kleding van mevrouw [slachtoffer] zat om haar lichaam. Haar voeten lagen gekruist over elkaar. In het aangezicht waren letsels zichtbaar. De rits van haar spijkerbroek was open en de knoop daarvan dicht. Op een afstand van ongeveer vijftien tot twintig meter van haar lichaam werden onder een hoop bladeren de telefoon en de jas van mevrouw [slachtoffer] gevonden.
De technische recherche heeft forensisch onderzoek gedaan naar de plaats waar het lichaam van mevrouw [slachtoffer] is aangetroffen. Op de bospaden in de nabijheid van mevrouw [slachtoffer] zijn verstorings- en versleepsporen waargenomen. Gelet op de verstoringen in de bodembedekking, het sleepspoor en de beschadiging van de begroeiing stelt de recherche dat er vermoedelijk een worsteling heeft plaatsgevonden en dat mevrouw [slachtoffer] hierna is versleept naar de plek waar zij uiteindelijk is aangetroffen. Op die plek is mevrouw [slachtoffer] op haar rug gelegd en gedeeltelijk bedekt op de hiervoor beschreven wijze. Volgens de recherche is het, gezien de sporen op het lichaam, kleding en schoenen, aannemelijk dat mevrouw [slachtoffer] onder haar oksels of aan haar polsen is versleept, waarbij haar bovenlichaam de grond niet heeft geraakt en de voeten al gekruist waren tijdens het verslepen. Op de plek waar het lichaam van mevrouw [slachtoffer] is aangetroffen, zijn geen bodemverstoringen meer waargenomen.
De doodsoorzaak van mevrouw [slachtoffer]
Uit het pathologisch onderzoek blijkt dat mevrouw [slachtoffer] door een (samen)drukkende krachtinwerking op de hals (wurgen) en een (af)drukkende krachtinwerking op de neus en mond (smoren) om het leven is gekomen. Verdachte heeft op de pro-forma zitting van 13 maart 2025 en op de zitting van 17 december 2025 bekend dat hij mevrouw [slachtoffer] met zijn handen heeft gewurgd.
Aantreffen DNA-sporen van verdachte op lichaam en kleding van [slachtoffer] en ander letsel
Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft DNA-onderzoek verricht aan het lichaam en de kleding van mevrouw [slachtoffer] . Hieruit is gebleken dat op de oksel, pols, onder drie nagels en in de hals van mevrouw [slachtoffer] DNA van verdachte zit. Op de binnenzijde van de voorkant van de tailleband van de spijkerbroek en op de binnenzijde van de slip ter hoogte van het kruis is DNA van verdachte gevonden, met spermacellen en een aanwijzing voor spermavloeistof van verdachte. Ook op de binnenzijde van de onderlip en de tanden van mevrouw [slachtoffer] is DNA van verdachte aangetroffen, opnieuw met een aanwijzing voor spermavloeistof.
Door het NFI is ook onderzoek verricht naar de letsels aan het lichaam van mevrouw [slachtoffer] . Hierbij zijn letsels waargenomen aan het gelaat, de hals, de polsen, armen en benen. Daarnaast zijn er enkele (geringe) bloeduitstortingen bij de vagina-ingang van mevrouw [slachtoffer] waargenomen. Volgens het NFI zijn deze ontstaan door een stomp botsende krachtinwerking, zoals stoten of penetratie met een voorwerp of een lichaamsdeel. In de vagina waren geen letsels.
Verkrachting of feitelijke aanranding van de eerbaarheid?
Op basis van het bovenstaande, het dossier en verhandelde ter zitting kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte mevrouw [slachtoffer] heeft verkracht. Er zijn namelijk geen verwondingen of sperma van verdachte in de vagina van mevrouw [slachtoffer] aangetroffen, alleen aan de buitenkant van de vagina. Om verkrachting te kunnen vaststellen is bewijs voor seksueel binnendringen van het lichaam nodig. Dat is er niet. Volgens de onderzoekers zijn de hiervoor benoemde wel aangetroffen bloeduitstortingen geenszins bewijzend voor seksueel geweld. Hiervoor is meer bewijs nodig. De rechtbank is van oordeel dat de Amsterdamse zedenzaak niet als schakelbewijs kan worden gebruikt nu er geen sprake is van een handelwijze die op essentiële punten overeenkomt.
Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte mevrouw [slachtoffer] heeft aangerand. Er is sperma van verdachte gevonden op belastende plekken, namelijk in haar broek en in haar slip ter hoogte van het kruis. Dit betekent dat verdachte in de broek van mevrouw [slachtoffer] moet zijn geweest. Daar komt nog bij dat er bloeduitstortingen bij de vagina-ingang van mevrouw [slachtoffer] zijn waargenomen en dat de rits van haar spijkerbroek open was toen zij werd aangetroffen. Al deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende voor een bewezenverklaring van feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Hier komt bij dat verdachte op de zitting van 17 december 2025 bij herhaling heeft verklaard dat de duivel tegen hem heeft gezegd dat mevrouw [slachtoffer] een duivel is en hem gaat vermoorden en seksuele dingen met hem gaat doen. Verdachte moest dit bij mevrouw [slachtoffer] doen voordat zij dit bij hem ging doen. Verdachte heeft op de zitting niet ontkend dat hij seksuele dingen bij mevrouw [slachtoffer] heeft gedaan. Hij zei slechts dat hij het moeilijk vond om erover te praten.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte mevrouw [slachtoffer] heeft aangerand terwijl zij nog leefde. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Ten eerste kunnen de bloeduitstortingen bij de vagina-ingang van mevrouw [slachtoffer] alleen zijn ontstaan toen zij nog in leven was, omdat nadat de dood intreedt bloeduitstortingen niet meer ontstaan. Ten tweede past het aanranden van mevrouw [slachtoffer] terwijl zij nog leefde bij de verstorings- en versleepsporen in het bos. Op één plek rondom de plaats delict is een bodemverstoring zichtbaar. Volgens de recherche heeft daar een worsteling plaatsgevonden. Daarna volgt er slechts een sleepspoor naar de plek waar het lichaam van mevrouw [slachtoffer] is aangetroffen. Op die plek is er niets meer gebeurd. Daar waren namelijk geen bodemverstoringen te zien. De sporen op de achterzijde van de broek en de achterzijde van de rechterschoen van het slachtoffer zijn bovendien passend bij het verslepen van het slachtoffer met gekruiste voeten. Mevrouw [slachtoffer] is aangetroffen met gekruiste voeten, links boven rechts, zodat ook hieruit blijkt dat na het verslepen geen seksuele handelingen meer hebben plaatsgevonden.
Tot slot overweegt de rechtbank dat het DNA van verdachte met spermavloeistof in de mond van mevrouw [slachtoffer] terecht is gekomen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte vóór haar dood al seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer] waarbij zijn spermavloeistof is vrijgekomen. Mevrouw [slachtoffer] is immers om het leven gekomen doordat zij door verdachte is gewurgd en gesmoord. De rechtbank gaat er vanuit dat daarbij zijn DNA op/in de mond van mevrouw [slachtoffer] terecht is gekomen. De rechtbank gaat er, samenvattend, van uit dat verdachte mevrouw [slachtoffer] eerst heeft aangerand, daarna heeft gedood en haar vervolgens heeft versleept.
Tussenconclusie
Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 oktober 2023 mevrouw [slachtoffer] heeft aangerand en vervolgens gedood.
Gekwalificeerde doodslag?
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is, of sprake is van een gekwalificeerde doodslag. Bij gekwalificeerde doodslag doodt iemand een ander om zo een strafbaar feit te verbergen. Voor de bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag is het in dit geval noodzakelijk dat vastgesteld wordt dat de doodslag op mevrouw [slachtoffer] in rechtstreeks verband staat met de aanranding. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. Uit het bewijs volgt dat de aanranding en het doden in een kort tijdsbestek is gebeurd en op een relatief klein oppervlak heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank mevrouw [slachtoffer] aangerand en vervolgens gedood en versleept. In het dossier is ook geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat de dood van mevrouw [slachtoffer] op een ander moment in de tijd zou moeten worden geplaatst dan onmiddellijk na de aanranding.
Verder is het voor een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag noodzakelijk dat vastgesteld wordt dat de doodslag op mevrouw [slachtoffer] is gepleegd met het oogmerk om òf de aanranding voor te bereiden of gemakkelijker te maken òf om de straffeloosheid ten aanzien van de aanranding te verzekeren bij betrapping op heterdaad.
De rechtbank is van oordeel dat voor het voorbereiden of gemakkelijker maken van de aanranding geen bewijs zit in het dossier. Dit past ook niet bij wat er is gebeurd. Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer] aangerand, vervolgens gedood en versleept. Vervolgens heeft hij haar lichaam verstopt onder bladeren en takken. Uit het verslepen van het lichaam van mevrouw [slachtoffer] en het verstoppen van haar lichaam en van haar telefoon en jas iets verderop onder bladeren concludeert de rechtbank, dat verdachte mevrouw [slachtoffer] om het leven heeft gebracht met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid voor de aanranding te verzekeren.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de gekwalificeerde doodslag op mevrouw [slachtoffer] .
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 10 oktober 2023 te [plaats] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door een (samen)drukkende krachtinwerking op de hals (wurgen) van die [slachtoffer] uit te oefenen en een (af)drukkende krachtinwerking op de neus en mond (smoren) van die [slachtoffer] uit te oefenen, welke doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten feitelijke aanranding van de eerbaarheid (zijnde een strafbaar feit als omschreven in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit bij betrapping op heterdaad aan zichzelf aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1
De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
5.2
De strafbaarheid van verdachte
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. De officieren van justitie zijn van mening dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was. Hierbij geven zij aan dat zij dit niet nader specificeren in licht of ernstig verminderd toerekeningsvatbaar, omdat zij zich daar niet deskundig in achten. Vervolgens hebben de officieren van justitie wel aangegeven dat zij een aantal kritische kanttekeningen maken bij de door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC) meegewogen omstandigheden en daardoor het strafbare feit verdachte meer toerekenen dan de deskundigen van het PBC hebben gedaan.
Bij de beoordeling of verdachte strafbaar is, heeft de rechtbank acht geslagen op de over hem opgemaakte rapportages. Uit de Pro-Justitiarapportage van het PBC van 18 oktober 2024 blijkt dat het onderzoek naar verdachte een aantal beperkingen kende. Zo heeft verdachte niet meegewerkt aan het bloedonderzoek, waardoor niet kon worden onderzocht hoe hoog zijn medicijnspiegel was en geen hormoononderzoek kon worden gedaan. Verder bleef het referentenonderzoek beperkt. Verdachte heeft wel gesprekken gevoerd met de onderzoekers, maar ook deze werden gekenmerkt door beperkingen. De indruk was namelijk dat verdachte een weinig betrouwbare gesprekspartner was. Hij herhaalde op een dwangmatige manier eenzelfde boodschap gedurende het onderzoek, waarin hij stelde zich niets te herinneren van het feit, behalve dat hij psychotisch was. Dit stond dusdanig op de voorgrond dat de gesprekken over andere onderwerpen bemoeilijkt werden. Ook doorvragen naar deze psychose bleek moeilijk en verdachte gaf herhaaldelijk aan te willen dat de onderzoekers simpelweg van hem zouden aannemen dat hij psychotisch was, al kon hij zich rondom het feit weinig herinneren. Daarnaast leek openheid over de symptomen instrumenteel van aard. Verdachte zou hallucinaties inzetten om eerdere verklaringen recht te zetten of stemmen in te zetten als excuus om iets terug te draaien wat hij eerder heeft gezegd.
Ondanks de voornoemde beperkingen hebben de onderzoekers van het PBC vanuit de gesprekken met verdachte, het beeld op de leefafdeling, de informatie van de GGZ en van de Penitentiaire Inrichtingen voldoende zicht gekregen op de psychopathologie van verdachte en zijn functioneren om diagnostische conclusies te kunnen trekken. Uit de rapportage blijkt dat bij verdachte sprake is van schizofrenie en van een hiermee samenhangende cognitieve achteruitgang (ongespecificeerde cognitieve stoornis). Verder is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis en antisociale trekken. Deze stoornissen waren ook aanwezig tijdens het bewezenverklaarde.
De onderzoekers hebben over de schizofrenie aangegeven dat de antipsychotische medicatie (haloperidol-depot) op het moment van het bewezenverklaarde deels was afgebouwd, omdat het kennelijk toen goed ging met verdachte. Zij vermoeden dat door de afbouw een geleidelijke of beginnende psychotische ontregeling is opgetreden. Het is denkbaar dat verdachte medicamenteus onderbehandeld was, maar dit heeft niet geleid tot een volledige psychotische ontregeling, zoals die eerder bij verdachte wel is gezien en vastgesteld. Verdachte gedroeg zich namelijk zoals men van hem gewend was, kwam niet verward, angstig of achterdochtig over en deed geen opvallende of bizarre uitspraken. Ook kort na het bewezenverklaarde is verdachte bij [afdeling] gezien en gedroeg hij zich zoals gebruikelijk voor hem in meer stabiele fases.
Voor de onderzoekers staat vast dat de stoornissen tijdens het bewezenverklaarde aanwezig waren en dat het aannemelijk is dat deze zijn handelen in zekere mate hebben gestuurd en de remmingen in zekere mate hebben verminderd. Echter een volledige wilsonvrijheid, waarbij verdachte geheel door een psychose werd gestuurd, kan niet worden beredeneerd. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat verdachte geen enkele controle meer over zijn gedrag had of dat zijn gedrag volledig door hallucinaties of wanen werd gestuurd. De onderzoekers adviseren daarom het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe rekenen.
De onderzoekers van het PBC blijven bij deze conclusies in hun aanvullend Pro-Justitiarapport van 6 augustus 2025 In deze rapportage is de nieuwe verklaring van verdachte, dat hij zich wel herinnert dat hij mevrouw [slachtoffer] gewurgd heeft, en nieuwe informatie van o.a. [afdeling] , de instelling waar hij ten tijde van het feit verbleef, verwerkt. Deze nieuwe informatie is bestudeerd maar geven geen aanwijzingen voor een gedeeltelijke noch volledige psychotische ontregeling. In het aanvullend rapport hebben de onderzoekers helder uiteengezet waarom zij niet tot het advies komen om verdachte, ondanks zijn beperkingen, volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.
Op de zitting zijn deskundigen van het PBC bevraagd en hebben zij nogmaals gemotiveerd aangegeven dat zij geen enkele aanwijzing zien om van de eerder getrokken conclusies af te wijken.
Over de rapportages heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende zijn om de genomen conclusies te trekken. Er is volgens de verdediging geen goed beeld geweest van verdachte, zijn ziektebeeld en wat hem op 10 oktober 2023 heeft bewogen. Daarnaast is er in [afdeling] onvoldoende zorg geweest voor verdachte en het voorkomen van een psychose. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De beperkingen van het onderzoek zijn er al vanaf het begin en daarover zijn de onderzoekers van het PBC vanaf het begin transparant geweest. Zij hebben in het aanvullende rapport van 6 augustus 2025 en op de zitting van 17 december 2025 gemotiveerd aangegeven dat zij desondanks voldoende geïnformeerd waren om diagnostische conclusies te trekken en een advies te geven. Als zij niet voldoende voorgelicht waren, hadden zij zich onthouden van het nemen van conclusies en het geven van een advies. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de onderzoekers onvoldoende beeld hadden van verdachte. Op de zitting heeft de verdediging de onderzoekswens de interne rapporten over het calamiteitenonderzoek bij [afdeling] en de verslagen van de gesprekken over de interne onderzoeken aan het dossier te laten toevoegen, herhaald. Daarop heeft de rechtbank destijds ter zitting al een beslissing gegeven. Dit verzoek is toen afgewezen en naar het oordeel van de rechtbank laat de systematiek van de wet het niet toe dat de rechtbank daar opnieuw een beslissing op neemt.
Gelet op al het voorgaande neemt de rechtbank de conclusies van de deskundigen van het PBC over de aanwezigheid van de stoornissen bij verdachte tijdens het bewezenverklaarde en de mate van toerekenbaarheid over. De rechtbank rekent het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte toe.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officieren van justitie vorderen aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twintig jaar en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege. Daarnaast dient aan verdachte te worden opgelegd de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM). Bij de strafeis is rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoon van verdachte en de omstandigheid dat het feit verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om op basis van artikel 37a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht alleen de tbs-maatregel op te leggen, omdat verdachte zorg nodig heeft. Subsidiair verzoekt de verdediging om aan verdachte een kortere gevangenisstraf op te leggen. Een tbs-behandeling heeft een grotere kans van slagen als verdachte zo vroeg mogelijk begint. Meer subsidiair is het verzoek om in de uitspraak een advies op te nemen over de termijn waarop de tbs dient aan te vangen. Verder dient er geen GVM te worden opgelegd, omdat dit feitelijk een levenslange gevangenisstraf is.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 10 oktober 2023 schuldig gemaakt aan de gekwalificeerde doodslag op mevrouw [slachtoffer] . Dit is een van de zwaarste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte is mevrouw [slachtoffer] tegengekomen in het [gebied] in [plaats] , waar zij een wandeling maakte. Hij heeft haar toen aangerand en daarna gedood door haar te wurgen en smoren. Verdachte heeft vervolgens het lichaam van mevrouw [slachtoffer] dieper het bos in versleept en geprobeerd haar te verstoppen onder bladeren en takken. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat mevrouw [slachtoffer] vanaf dat zij verdachte is tegengekomen ongekende angst en pijn moet hebben doorstaan. Dat maakt de laatste minuten van haar leven verschrikkelijk. Het is verdachte die een einde heeft gemaakt aan het leven van een vrouw die nog midden in het leven stond en vol levenslust was. Dit heeft ook grote impact op haar man meneer [benadeelde] , haar familie en haar vrienden. Meneer [benadeelde] , de zus van mevrouw [slachtoffer] en haar neef hebben op de zitting van 17 december 2025 aangrijpend onder woorden gebracht welke gevolgen haar gewelddadige dood voor hen heeft. Verdachte heeft hen onherstelbaar groot leed aangedaan.
De persoon van verdachte en de persoonlijke omstandigheden
Zoals overwogen in paragraaf 5.2 zal de rechtbank het feit verminderd aan verdachte toerekenen. De stoornissen waren namelijk aanwezig tijdens het bewezenverklaarde en hebben het handelen van verdachte beïnvloed. Hoewel de psychopathologie van verdachte ook een rol heeft gespeeld bij zijn proceshouding, weegt de rechtbank die houding in zijn nadeel mee. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
De heer [benadeelde] en de familie en vrienden van mevrouw [slachtoffer] moeten niet alleen leven met dit grote en tragische verlies, maar tegelijkertijd met vele onbeantwoorde vragen over de laatste minuten van het leven van mevrouw [slachtoffer] . Verdachte heeft nooit ontkend dat hij seksuele handelingen heeft verricht met mevrouw [slachtoffer] , maar wil hier niet over praten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij deze opheldering niet aan de nabestaanden heeft gegeven, terwijl zij op de zitting van 17 december 2025 nadrukkelijk hebben aangegeven daar behoefte aan te hebben. Dit getuigt van een ernstig gebrek aan empathie in de richting van de nabestaanden.
Bij de politie, in het PBC en op de verschillende pro-formazittingen heeft verdachte meerdere keren gezegd dat hij een verklaring zou gaan afleggen, maar deed dit vervolgens telkens toch niet. Tot 13 maart 2025 heeft verdachte steeds en bij herhaling aangegeven dat hij niets meer weet van 10 oktober 2023, dat hij psychotisch was en dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Op de zitting van 13 maart 2025 heeft verdachte verklaard dat hij mevrouw [slachtoffer] heeft gewurgd, maar hij trekt die verklaring op de volgende zitting, op 4 juni 2025, weer in. Op 17 december 2025 heeft verdachte zijn verklaring opnieuw gewijzigd. Bij de rechtbank is de indruk ontstaan dat verdachte elke (al dan niet per abuis gegeven) negatieve verklaring terugdraait door te stellen dat hij dit moest zeggen van de stemmen. Ditzelfde proces hebben de deskundigen van het PBC ook ervaren en beschreven. Verdachte laat met deze houding zien manipulatief en berekenend te zijn. Uit alle rapportages, van het PBC, voornoemd, maar ook uit de rapporten van psychologen en psychiaters uit 2021 en 2023, die zich ook in het dossier bevinden, maakt de rechtbank op dat er zeker sprake is van stoornissen bij verdachte. Er is onder meer sprake van schizofrenie en verdachte heeft hier in wisselende mate last van. Er zijn daarnaast ook antisociale trekken in de persoonlijkheid gezien door de deskundigen van het PBC. Verdachte heeft het recht om te zwijgen en is niet verplicht om de waarheid te vertellen, maar door de wisselende houding die verdachte in het onderzoek bij de politie, in het eerste, al verlengde, en aanvullende onderzoek daarna door het PBC en zijn houding ter zitting heeft verdachte er mede voor gezorgd dat de hele procedure lang heeft geduurd en heeft hij de procesgang voor de nabestaanden extra zwaar gemaakt.
Uit de Pro-Justitiarapportage van het PBC van 18 oktober 2024 blijkt dat de kans op recidive als hoog wordt ingeschat. Ondanks langdurige pogingen om verdachte te stabiliseren middels een klinische behandeling, begeleiding en medicamenteuze behandeling, is sprake van een langdurig patroon van ontregelingen, van medicatie-ontrouw en is er grensoverschrijdend en strafbaar gedrag. De afgelopen jaren heeft er herhaaldelijk dreigend en gewelddadig gedrag plaatsgevonden. Ook is sprake van onvoorspelbaar en willekeurig agressief gedrag naar vreemden. Daarnaast lijkt seksueel grensoverschrijdend gedrag toe te nemen in ernst en frequentie. De Pro-Justitiarapporteurs schatten in dat een langdurige klinische behandeling nodig is om tot vermindering van het recidiverisico te komen. Een toekomstige behandeling zal moeten plaatsvinden in een Forensisch Penitentiair Centrum, waar een zeer hoog beveiligingsniveau kan worden geboden. Het enige reëel juridisch kader om een dergelijke, langdurige behandeling binnen een hoog beveiligingsniveau vorm te geven is volgens de Pro-Justitiarapporteurs de tbs met verpleging van overheidswege.
De straf
Gelet op de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel is de rechtbank van oordeel dat de op te leggen straf lager dient te zijn dan de officieren van justitie hebben gevorderd, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de verkrachting van mevrouw [slachtoffer] .
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf van achttien jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden. De rechtbank ziet, gelet op de ernst van het feit, geen ruimte voor een andere of lichtere straf.
De maatregelen
De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van tbs. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de bewezenverklaarde gekwalificeerde doodslag is een gevangenisstraf van meer dan vier jaren gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel, omdat sprake is van een hoog recidiverisico. Gelet op de bevindingen van de Pro-Justitiarapporteurs is de rechtbank van oordeel dat de tbs ook noodzakelijk is. Alleen dan is er een stevig kader waarin langdurige behandeling van verdachte kan plaatsvinden.
Gelet op de ernstige problematiek van verdachte en het gevaar dat hij voor anderen oplevert, acht de rechtbank ook verpleging van overheidswege noodzakelijk. In dit geval kan alleen met een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege de veiligheid van de maatschappij voldoende worden gegarandeerd. De oplegging van tbs met verpleging van overheidswege voldoet dan ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank overweegt dat de tbs met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Naast de tbs zal de rechtbank de GVM opleggen. Gelet op het recidiverisico en de complexe problematiek van verdachte en de vele mislukte langdurige pogingen om hem te stabiliseren, acht de rechtbank het van belang dat na afloop van de tbs zicht kan worden gehouden op het functioneren van verdachte, zodat eventuele dan dreigende recidive snel kan worden gesignaleerd. Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van de GVM is voldaan. Verdachte wordt namelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 55.491,08. De schade bestaat uit:
  • € 3.355,08 aan kosten voor de lijkbezorging;
  • € 136,40 aan kosten voor de psycholoog;
  • € 20.000,00 aan affectieschade;
  • € 30.000,00 aan shockschade; en
  • € 2.000,00 aan nader te onderbouwen schade.
Kosten lijkbezorging en psycholoog
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde partij gevorderde schade voor de kosten van de lijkbezorging en de kosten voor de psycholoog zijn door de verdediging niet betwist. Deze schade is ook voldoende onderbouwd en staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal daarom deze kosten toewijzen.
Affectieschade
De gevorderde affectieschade van € 20.000,00 is conform het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal dit toewijzen. Hierbij benadrukt de rechtbank dat deze vergoeding een symbolisch karakter heeft, omdat met geen mogelijkheid compensatie kan worden geboden voor het verdriet van de benadeelde partij.
Shockschade
Volgens vaste jurisprudentie kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde een hevige emotionele shock wordt teweeggebracht door het waarnemen van het feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Dit zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde een nauwe en affectieve relatie had met het slachtoffer en het slachtoffer bij het gepleegde feit is gedood of verwond. Uit de emotionele shock moet vervolgens geestelijk letsel zijn voortgevloeid. Het geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld.
In deze zaak staat niet ter discussie dat de benadeelde een nauwe en affectieve relatie had met het slachtoffer. Ook is onbetwist dat de confrontatie met het slachtoffer (het na het gepleegde feit identificeren van het slachtoffer in het mortuarium) een hevige shock teweeg heeft gebracht. Uit de brief van de psycholoog van de benadeelde van 1 maart 2025 blijkt dat onder andere die confrontatie heeft geleid tot een angststoornis. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook komen vast te staan dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden.
De hoogte van de geleden shockschade moet volgens artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid worden vastgesteld. De rechtbank benadrukt dat onder shockschade van de benadeelde niet valt het verdriet en de rouw om het verlies van zijn vrouw. Alleen de schade die is ontstaan als gevolg van de confrontatie wordt aangemerkt als shockschade en komt voor vergoeding in aanmerking. Mede gelet op de bedragen die in (min of meer) vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters zijn toegekend, stelt de rechtbank deze naar billijkheid vast op een bedrag van € 15.000,00. Zij zal de benadeelde in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Nader te onderbouwen schade
De benadeelde partij heeft voor een eventuele hoger beroepsprocedure een vergoeding gevorderd voor de nog nader te onderbouwen schade. Deze schade is dus nog niet ontstaan. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade de wettelijke rente toewijzen. Die wordt voor de kosten van lijkbezorging gerekend vanaf 23 oktober 2023 (de dag van de begrafenis) en voor de kosten van de psycholoog vanaf 30 december 2024 (de datum van de factuur). Voor de affectieschade zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf 10 oktober 2023 (de dag van overlijden) en voor de shockschade vanaf 11 oktober 2023 (de dag dat de benadeelde partij zijn vrouw moest identificeren in het mortuarium).
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38d, 38z en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 18 jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregelen
- gelast de
terbeschikkingstellingvan verdachte,
met verpleging van overheidswege;
- legt aan verdachte op
de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
Benadeelde partij [benadeelde]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van
€ 38.491,48, waarvan € 3.491,48 aan materiële schade en € 35.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente die als volgt wordt berekend:
- over een bedrag van € 3.355,08 vanaf 23 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- over een bedrag van € 136,40 vanaf 30 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- over een bedrag van € 20.000,00 vanaf 10 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- over een bedrag van € 15.000,00 vanaf 11 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] € 38.491,48 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente die als volgt wordt berekend:
- over een bedrag van € 3.355,08 vanaf 23 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- over een bedrag van € 136,40 vanaf 30 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- over een bedrag van € 20.000,00 vanaf 10 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- over een bedrag van € 15.000,00 vanaf 11 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 186 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, mr. T.M. Brouwer en
mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 januari 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 10 oktober 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door een (samen)drukkende krachtinwerking op de hals (wurgen) van die [slachtoffer] uit te oefenen en/of een (af)drukkende krachtinwerking op de neus en mond (smoren) van die [slachtoffer] uit te oefenen, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting (zijnde een strafbaar feit als omschreven in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht) en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid (zijnde een strafbaar feit als omschreven in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf aan dat feit straffeloosheid te verzekeren;
(art. 287 Wetboek van Strafrecht, art. 288 Wetboek van Strafrecht).