ECLI:NL:RBZWB:2026:374

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/02/444068 / JE RK 26-79
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265b BWArt. 800 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens detoxbehandeling moeder

De Stichting Jeugdbescherming Brabant verzocht de kinderrechter om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2024, vanwege de noodzaak van een klinische detoxbehandeling van de moeder. De minderjarige woont bij de opa moederszijde en staat onder toezicht van de gecertificeerde instelling. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag.

De kinderrechter overweegt dat de moeder en vader liefdevol zijn en een betrokken netwerk hebben, maar dat beide ouders zijn teruggevallen in harddrugsgebruik zonder openheid te geven. De moeder zal tijdelijk de woning van de opa verlaten voor een detoxbehandeling. De GI acht het in het belang van de minderjarige dat zij tijdens deze periode bij de opa blijft wonen, een vertrouwde plek, en dat het contact met de vader wordt voortgezet.

Gezien het feit dat de moeder tijdelijk elders verblijft en de minderjarige onder toezicht staat, is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, ook bij instemming van de moeder. De kinderrechter acht de spoedprocedure gerechtvaardigd vanwege onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige en besluit zonder voorafgaand horen van partijen. De machtiging wordt verleend voor de periode van 16 tot 30 januari 2026, met de beperking dat de plaatsing bij de opa moederszijde plaatsvindt.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct kan worden uitgevoerd en hoger beroep de uitvoering niet schorst. De verdere behandeling van het resterende verzoek wordt aangehouden tot een mondelinge zitting op een nader te bepalen datum.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de opa moederszijde van 16 tot 30 januari 2026, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444068 / JE RK 26-79
Datum uitspraak: 16 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt voor het vervolg van deze procedure als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
[de opa moederszijde],
hierna te noemen: de opa moederszijde (mz),
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zit het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont samen met de moeder bij de opa moederszijde (mz).
2.3.
[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van 19 februari 2025 is die maatregel voor het laatst verlengd tot 20 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken en deze beslissing onverwijld af te geven, oftewel zonder de belanghebbende daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, in dit geval tot 20 februari 2026.
3.3.
De GI verzoekt ten slotte om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.3.
Uit het schriftelijk gedane verzoek en de overgelegde stukken blijkt onder meer het volgende. Vooropgesteld wordt gezien dat beide ouders liefdevol zijn voor [minderjarige] en dat er sprake is van een erg betrokken netwerk. Begin 2026 is de jeugdbeschermer ervan op de hoogte geraakt dat beide ouders zijn teruggevallen in (hard)drugsgebruik en dat zij daar geen openheid van zaken over hebben gegeven. Met moeder is afgesproken dat zij de woning van de opa mz tijdelijk zal verlaten en dat zij een klinische detox-behandeling zal ondergaan. In verband hiermee is een crisisaanvraag gedaan. De bedoeling is dat de moeder, zodra zij de detox-behandeling succesvol heeft doorlopen, samen met [minderjarige] zal worden geplaatst in een moeder-kindhuis, waarna het traject richting zelfstandig wonen verder zal worden vormgegeven. De GI acht het het meest in het belang van [minderjarige] dat zij voor de duur van de detox-behandeling van de moeder bij de opa mz zal blijven wonen, op een voor haar vertrouwde plek. Daarnaast zal de omgang met de vader worden voortgezet.
4.4.
De kinderrechter overweegt, nu de moeder als gezaghebbende ouder tijdelijk op een andere plaats zal verblijven dan [minderjarige] en er sprake is van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , het verblijf van [minderjarige] bij de opa mz plaats dient te vinden met een machtiging tot uithuisplaatsing, ook als de moeder daarmee instemt (artikel 1:265a BW).
4.5.
Gelet op het contact dat is geweest met de [kliniek] waar moeder bekend is en het feit dat zij direct aan de slag gaan met een crisisaanvraag voor een detox-plaatsing, is de kinderrechter van oordeel dat er nu sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van het spoedverzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Gelet daarop wordt zonder de belanghebbenden te horen op het spoedverzoek beslist.
4.6.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst nu dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van haar verzorging en opvoeding. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg zal worden verleend met ingang van 16 januari 2026 tot 30 januari 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de hierna te noemen mondelinge behandeling. Nu het de bedoeling is dat [minderjarige] haar verblijf bij de opa mz zal voortzetten, zal de kinderrechter de machtiging beperken tot een plaatsing van [minderjarige] bij de opa mz.
4.7.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het karakter daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat die beslissing per direct uitvoerbaar is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
4.8.
Verdere beslissingen op de beide resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij opa mz, met ingang van 16 januari 2026 tot 30 januari 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek alsmede het verzoek om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen aan tot de zitting op
[datum] 2026 om [uur], bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in de persoon van mr. Van Leuven, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en de GI;
5.5.
bepaalt dat de informanten in deze zaak, nu zij geen afschrift van deze beschikking krijgen, per afzonderlijke brief dienen te worden opgeroepen voor voormelde zitting;
5.6.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.