ECLI:NL:RBZWB:2026:375

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/02/444213 / JE RK 26-109
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265b BWArt. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens zorgelijke thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2025, die eerder onder toezicht was gesteld en tijdelijk bij haar oma verbleef. Na een periode van terugplaatsing bij de moeder, die bekend is met psychotische klachten en onder behandeling staat bij de ggz, ontstonden opnieuw zorgelijke signalen over haar psychische gesteldheid en medicatiegebruik.

De moeder werd op 19 januari 2026 opgenomen op een gesloten afdeling van een ggz-accommodatie, waardoor zij tijdelijk niet in staat is voor de minderjarige te zorgen. De GI verzocht daarom om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de oma, het netwerkpleeggezin, voor vier weken, met aansluitend een machtiging voor twee maanden.

De kinderrechter oordeelt dat gezien de opname van de moeder en het directe gevaar voor de minderjarige, het spoedverzoek niet kan worden afgewacht zonder ernstig gevaar. Daarom wordt zonder de moeder te horen een machtiging verleend voor uithuisplaatsing van 20 januari tot 3 februari 2026, uitvoerbaar bij voorraad. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot een zitting.

De beschikking is mondeling gegeven op 20 januari 2026 en schriftelijk vastgelegd op 21 januari 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij het netwerkpleeggezin van de oma moederszijde, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers : C/02/444213 / JE RK 26-109 (spoedmachtiging tot uithuisplaatsing)
: C/02/444215 / JE RK 26-110 (machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt voor het vervolg van deze procedure als informant aan:
[de oma moederszijde],
hierna te noemen: de oma moederszijde (mz),
wonende te [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondeling gedane verzoek van de GI op 20 januari 2026;
  • het op 21 januari 2026 ontvangen schriftelijke verzoekschrift, met bijlagen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (bij de oma mz) verleend met ingang van 9 juli 2025 tot 9 december 2025.
2.3.
[minderjarige] is op basis van voormelde machtiging uit huis geplaatst geweest bij de oma mz, maar zij woont sinds 9 december 2025 weer bij de moeder.

3.De verzoeken

3.1.
De GI heeft op 20 januari 2026 mondeling verzocht om [minderjarige] uit huis te plaatsen in het netwerkpleeggezin van de oma mz voor de duur van vier weken, om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en om deze beslissing onverwijld te nemen, oftewel zonder de belanghebbende daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. De rechtbank heeft dit verzoek geregistreerd onder het zaaknummer C/02/444213 / JE RK 26-109. De GI heeft dit mondeling gedane verzoek schriftelijk bevestigd in voormeld op 21 januari 2026 ontvangen verzoekschrift.
3.2.
De GI heeft daarnaast in voormeld verzoekschrift verzocht om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de oma mz te verlenen voor de duur van twee maanden en om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank heeft dit verzoek geregistreerd onder het zaaknummer C/02/444215 / JE RK 26-110.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.3.
Uit het mondeling gedane verzoek en uit de overgelegde stukken blijkt onder meer het volgende.
De moeder is bekend met psychotische klachten. In verband daarmee is zij in zorg bij de ggz. [minderjarige] is kort na haar geboorte, onder andere vanwege zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder, bij de oma mz geplaatst. Bij voormelde beschikking van 30 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma mz verleend, waarna [minderjarige] haar verblijf bij de oma mz in het gedwongen kader heeft voortgezet. Met intensieve ambulante hulpverlening is vervolgens ingezet op een thuisplaatsing van [minderjarige] . Sinds 9 december 2025 verblijft [minderjarige] weer volledig bij de moeder. Vanaf eind december 2025 worden er echter bij de moeder weer zorgelijke signalen gezien met betrekking tot psychotische klachten. In mei 2025 is namelijk de medicatie van de moeder veranderd van depotmedicatie naar orale medicatie en vermoed wordt dat zij deze medicatie niet (trouw) inneemt. Zowel eind december 2025 als begin januari 2026 heeft de GI deze zorgen met de moeder besproken maar deze werden door de moeder ontkend. Op 19 januari 2026 heeft de moeder aan de oma mz verzocht om [minderjarige] op te halen omdat zij naar eigen zeggen behoefte had aan vakantie. De moeder heeft hiermee gehandeld in lijn met de gemaakte veiligheidsafspraken, namelijk dat zij te allen tijde kan en mag aangeven als het niet goed met haar gaat en dat [minderjarige] in dat geval bij de oma mz kan verblijven. De moeder heeft echter nagelaten om ook de betrokken hulpverlening hierover te informeren. Nadat [minderjarige] door de oma mz is opgehaald, is de moeder enige tijd volledig uit beeld geraakt en was zij onbereikbaar voor de hulpverlening en de GI. In de nacht van 19 tot 20 januari 2026 stond de moeder bij de oma mz aan de deur. De moeder is daarop beoordeeld door de ggz. Naar aanleiding daarvan is zij per direct opgenomen op een gesloten afdeling (HIC) van een ggz-accommodatie voor de duur van minimaal een week. In de accommodatie is de moeder bovendien onwel geworden van (vermoedelijk) het gebruik van veel “snus”. Verwacht wordt dat de opname zal worden verlengd. Tijdens de opname zal de moeder opnieuw goed worden ingesteld op depotmedicatie, teneinde haar opnieuw te stabiliseren. De GI stelt tot slot dat de moeder wisselend is in het geven van toestemming om [minderjarige] bij de oma mz te laten verblijven.
4.4.
De kinderrechter overweegt, nu de moeder als gezaghebbende ouder tijdelijk op een andere plaats verblijft dan [minderjarige] en nu er sprake is van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , het verblijf van [minderjarige] bij de oma mz plaats dient te vinden met een machtiging tot uithuisplaatsing, ook als de moeder daarmee instemt (artikel 1:265a BW).
4.5.
Nu de moeder gedwongen is opgenomen op een gesloten afdeling van een ggz-accommodatie terwijl [minderjarige] met het oog op haar jonge leeftijd volledig afhankelijk is van haar moeder als haar verzorger en opvoeder, is de kinderrechter van oordeel dat er nu sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van het spoedverzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Gelet daarop wordt zonder de belanghebbende te horen op het spoedverzoek beslist.
4.6.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst nu dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van haar verzorging en opvoeding. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin zal worden verleend met ingang van 20 januari 2026 tot 3 februari 2026, onder de aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de hierna te noemen zitting. Nu het de bedoeling is dat [minderjarige] haar verblijf bij de oma mz zal voortzetten, zal de kinderrechter deze machtiging beperken tot een plaatsing van [minderjarige] bij de oma mz.
4.7.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het karakter daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat die beslissing per direct uitvoerbaar is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
4.8.
Verdere beslissingen op de beide resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat die zitting heeft plaatsgevonden. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (in het netwerkpleeggezin van de oma moederszijde) met ingang van 20 januari 2026 tot 3 februari 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek alsmede het verzoek om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen aan tot de zitting op
[datum] 2026 om [uur], bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in de persoon van mr. Maandag, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en de GI;
5.5.
bepaalt dat de oma mz, nu zij als informant in deze zaak geen afschrift van deze beschikking krijgt, per afzonderlijke brief dient te worden opgeroepen voor voormelde zitting;
5.6.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven op 20 januari 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, en op schrift gesteld en ondertekend op 21 januari 2026, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.