Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3786

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/10776
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:45 AwbArt. 10 lid 8 Wet BPMArt. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens te hoge waardering en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende deed aangifte BPM voor een Audi Q7 en betaalde €8.722. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op van €4.499, gebaseerd op een hogere waardering na hertaxatie door DRZ. Belanghebbende betwistte dit en voerde onder meer het vertrouwensbeginsel en de juiste afschrijvingsmethode aan.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is, maar dat het bedrag te hoog is vastgesteld. De taxatiemethode is passend vanwege meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank volgt de koerslijst van Xray zoals door belanghebbende aangevoerd en verwerpt de hogere koerslijst van AutotelexPro wegens onvoldoende onderbouwing.

De historische nieuwprijs wordt vastgesteld op €184.776, conform een recent arrest van de Hoge Raad. De rechtbank stelt de verschuldigde BPM vast op €11.933, verminderd met reeds betaalde €8.722, waardoor de naheffingsaanslag wordt verlaagd naar €3.211. Daarnaast kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €353 voor rekening van de inspecteur en €1.147 voor de Staat.

De uitspraak vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de naheffingsaanslag en belastingrente, en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €3.211 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10776

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.499 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag is € 17 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking zijn terecht, maar naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 12 juli 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q7 4.0 TDI SQ7 quattro met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.722.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 13.221 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

Vooraf: Verzoek inspecteur om toepassing artikel 8:45 van Pro de Awb
4. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om de inkoopfactuur te overleggen omdat de inkoopfactuur die bij het taxatierapport is gevoegd van een andere auto is. Naar mening van de inspecteur moet de rechtbank bij het niet overleggen van de stukken eveneens erop staan dat deze gegevens worden overgelegd. Volgens de inspecteur is de inkoopfactuur noodzakelijk voor het door de rechtbank te geven oordeel over de onderhavige zaak. De rechtbank vat dit op als een verzoek om toepassing van artikel 8:45 van Pro de Awb.
4.1.
Reden om een artikel 8:45-verzoek te honoreren kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de desbetreffende informatie en/of stukken naar het oordeel van de rechtbank onontbeerlijk zijn voor de geschilbeslechting. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om het verzoek te honoreren gelet op de verdeling van de bewijslast. Het ligt op de weg van belanghebbende om de waardevermindering als gevolg van schade aannemelijk te maken. Indien belanghebbende het bewijs dat van hem wordt verlangd niet levert, wordt de door hem bepleite vermindering ook niet gevolgd. Voor zover de inspecteur vindt dat de inkoopfactuur een contra-indicatie zou kunnen opleveren van de door belanghebbende bepleite waarde, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de inkoopfactuur op te vragen. Ook als belanghebbende een hogere prijs heeft betaald voor de auto, dan nog staat het belanghebbende in dit geval vrij om uit te gaan van een taxatiewaarde aan de hand van de koerslijstwaarde verminderd met een waardevermindering wegens schade.
Inhoudelijk
4.2.
Tussen partijen is in geschil of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
Vertrouwensbeginsel
4.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen.
4.5.
Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit uitlatingen van DRZ of de inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De redenen die belanghebbende heeft genoemd waarom het voor haar van groot belang zou zijn dat er zekerheid bestaat met betrekking tot de vraag of er al dan niet een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, maken dit niet anders. In het geval belanghebbende hierover zekerheid zou willen krijgen, had zij in contact kunnen treden met de inspecteur. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.
Afschrijvingsmethode
4.6.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.7.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 20.877 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft hij nog een waardevermindering toegepast van € 3.800 wegens een correctie “geen oordeel kilometerstand”. De hertaxateur van DRZ heeft ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 2.470 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In het ontbreken van de (juiste) inkoopfactuur ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kunnen gebreken aan het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht daarvan.
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.8.
Nu de taxatiemethode van toepassing is, is de koerslijst slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal dan van de koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van de gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. [2]
4.9.
Belanghebbende beroept zich primair op de koerslijst van Xray die bij zijn taxatierapport is gevoegd en subsidiair op de koerslijst van Xray die bij het rapport van hertaxatie van DRZ is gevoegd. Belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel omdat in de kennisgeving van de naheffingsaanslag is vermeld dat de handelsinkoopwaarde wordt vastgesteld aan de hand van de koerslijst van DRZ.
4.10.
De inspecteur heeft beide koerslijsten van Xray bestreden en stelt dat moet worden uitgegaan van de koerslijst van AutotelexPro die ook bij het rapport van hertaxatie is gevoegd. Deze vermeldt een aanzienlijk hogere handelsinkoopwaarde. Voor het verschil in handelsinkoopwaarde beroept hij zich op interne compensatie.
4.11.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende mag uitgaan van de meest gunstige koerslijst, tenzij er aanwijzingen zijn dat deze de individuele waarde niet het meest benaderd. De inspecteur heeft alleen gesteld dat de koerslijst van belanghebbende niet kan worden gevolgd, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft hij dit onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, geen aanleiding om niet uit te gaan van de koerslijst van Xray die door belanghebbende bij zijn taxatierapport is gevoegd. Niet is in te zien waarom de koerslijst van Xray die bij het rapport van hertaxatie is gevoegd beter zou zijn dan de koerslijst van Xray waar belanghebbende vanuit is gegaan.
4.12.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de koerslijst buiten beschouwing te laten gelet op het verschil in CO2-uitstoot van 5 gr/km tussen de auto en het referentievoertuig, zoals de inspecteur heeft gesteld. Uit interne correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende als nader stuk heeft overgelegd [3] , blijkt immers dat op grond van intern beleid kleinere verschillen in CO2-uitstoot toepassing van de koerslijst niet verhinderen. Voor zover het verschil in CO2-uitstoot komt door een verschil in opties of uitvoering, is aannemelijk dat met deze verschillen voldoende rekening is gehouden in de koerslijst door deze kenmerken aan te vinken en er is niet gebleken dat sprake is van bijzondere kenmerken of eigenschappen die een afwijking van de koerslijst rechtvaardigen.
4.13.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel van belanghebbende hoeft dan geen behandeling meer. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om interne compensatie toe te passen voor het verschil in handelsinkoopwaarde, zoals de inspecteur heeft bepleit.
4.14.
Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
4.15.
De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vast op € 51.848 (€ 53.626 - € 1.778).
Historische nieuwprijs
4.16.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat beide partijen uitgaan van dezelfde netto catalogusprijs van € 117.560. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 184.776 zoals door belanghebbende in zijn beroepschrift bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [4]
4.17.
Voor zover de inspecteur zich nader op het standpunt stelt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan die van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto hoger is, volgt de rechtbank deze stelling niet.
4.18.
De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het onder 4.16. vermelde arrest van de Hoge Raad, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4. van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd. De rechtbank ziet daarom in de stelling van de inspecteur geen aanleiding om het hiervoor gegeven oordeel met betrekking tot de handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) te wijzigen.
Hoogte naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking
4.19.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 184.776, een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 51.848 en een bruto Bpm van € 42.529, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 11.933. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 8.722 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 3.211. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.20.
Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift van 9 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.21.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.22.
Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt € 353 (4/17e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.147) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.211;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 353;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.147;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm
3.E-mail van 15 april 2024 met als titel Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten.
5.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.