Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3788

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/10440 en 23/10441
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:45 AwbArt. 27h, derde lid, AWRArt. 28, zevende lid, AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaarde beroepen tegen naheffingsaanslagen BPM met toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen twee naheffingsaanslagen BPM opgelegd door de inspecteur, waarbij zij zich beroept op de taxatiemethode en een taxatierapport. De inspecteur handhaafde de aanslagen na hertaxatie door DRZ, waarbij de forfaitaire afschrijvingstabel werd toegepast.

De rechtbank oordeelt dat de beroepen ongegrond zijn. Het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat de inspecteur binnen de wettelijke termijn handelde en geen toezeggingen zijn gedaan. De herleidingsmethode kan niet worden toegepast conform het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. De forfaitaire afschrijvingstabel is het meest gunstig en correct toegepast.

Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde en waardevermindering wegens schade hoger zijn dan door de inspecteur gehanteerd. De rechtbank wijst het verzoek om inkoopfacturen op grond van artikel 8:45 Awb Pro af. Wel kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan de helft voor rekening van de inspecteur en de helft voor de Staat komt.

Daarnaast worden proceskosten en griffierechten voor het verzoek om schadevergoeding toegewezen. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. den Braber-Riemens en griffier R.J.M. de Fouw, die verhinderd was te ondertekenen.

Uitkomst: De beroepen tegen de naheffingsaanslagen BPM worden ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/10440 en 23/10441

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van respectievelijk € 5.029 en € 4.832 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig met het opleggen van de eerste naheffingsaanslag is € 20 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

Zaaknummer 23/10441
3. Belanghebbende heeft op 9 augustus 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 3.0 TFSI SQ5 quattro Pro met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.664.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 9.693 bedraagt. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze het meest gunstig was. Hij heeft voor auto 1 de naheffing berekend op € 5.029 en de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is € 20 belastingrente in rekening gebracht.
Zaaknummer 23/10440
3.3.
Belanghebbende heeft op 7 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 3.0 TFSI SQ5 quattro Pro met [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.488.
3.4.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.5.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.320 bedraagt. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze het meest gunstig was. Hij heeft voor auto 2 de naheffing berekend op € 4.832 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

Vooraf: Verzoek inspecteur om toepassing artikel 8:45 van Pro de Awb (beide auto’s)
4. De inspecteur heeft belanghebbende voor beide auto’s verzocht om de inkoopfactuur te overleggen. Naar mening van de inspecteur moet de rechtbank bij het niet overleggen van de stukken eveneens erop staan dat deze gegevens worden overgelegd. Volgens de inspecteur is de inkoopfactuur noodzakelijk voor het door de rechtbank te geven oordeel over de onderhavige zaken. De rechtbank vat dit op als een verzoek om toepassing van artikel 8:45 van Pro de Awb.
4.1.
Reden om een artikel 8:45-verzoek te honoreren kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de desbetreffende informatie en/of stukken naar het oordeel van de rechtbank onontbeerlijk zijn voor de geschilbeslechting. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om het verzoek te honoreren gelet op de verdeling van de bewijslast. Het ligt op de weg van belanghebbende om de waardevermindering als gevolg van schade aannemelijk te maken. Indien belanghebbende het bewijs dat van hem wordt verlangd niet levert, wordt de door hem bepleite vermindering ook niet gevolgd. Voor zover de inspecteur vindt dat de inkoopfactuur een contra-indicatie zou kunnen opleveren van de door belanghebbende bepleite waarde, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de inkoopfactuur op te vragen. Ook als belanghebbende een hogere prijs heeft betaald voor de auto, dan nog staat het belanghebbende in dit geval vrij om uit te gaan van een taxatiewaarde aan de hand van de koerslijstwaarde verminderd met een waardevermindering wegens schade.
Inhoudelijk
Auto 1 (zaaknummer 23/10441)
4.2.
Tussen partijen is in geschil of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Verder is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Ook is in geschil welke afschrijvingsmethode kan worden toegepast en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
Vertrouwensbeginsel
4.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen.
4.5.
Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit uitlatingen van DRZ of de inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De redenen die belanghebbende heeft genoemd waarom het voor haar van groot belang zou zijn dat er zekerheid bestaat met betrekking tot de vraag of er al dan niet een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, maken dit niet anders. In het geval belanghebbende hierover zekerheid zou willen krijgen, had zij in contact kunnen treden met de inspecteur. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.
Herleidingsmethode
4.6.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.7.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.8.
De taxateur van belanghebbende heeft voor auto 1 schade geconstateerd voor een bedrag van € 15.241 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 20.000. De hertaxateur van DRZ heeft voor auto 1 ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 1.934 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In het ontbreken van de (juiste) inkoopfactuur ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kunnen gebreken aan het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht daarvan.
Handelsinkoopwaarde
4.10.
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van € 34.300 zoals door haar taxateur is vastgesteld. Hij is voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van de gemiddelde verkoopprijzen van referentievoertuigen (marktonderzoek).
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft in zijn taxatierapport opgenomen dat “ongeveer 35% van de vraagprijs is afgetrokken”. De taxateur heeft deze handelsmarge niet verder onderbouwd. Belanghebbende heeft geen subsidiair standpunt ingenomen zodat de rechtbank zal uitgaan van de handelsinkoopwaarde zoals door DRZ is vastgesteld.
Waardevermindering wegens schade
4.11.
Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat voor auto 1 vast op € 60.869.
Historische nieuwprijs
4.12.
Voor zover de historische nieuwprijs nog in geschil was stelt de rechtbank vast dat de hertaxateur van DRZ uitgaat van een hogere historische nieuwprijs dan waar de taxateur van belanghebbende vanuit gaat zodat dit punt geen behandeling meer behoeft.
Conclusie auto 1
4.13.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm voor auto 1 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel meest gunstig is zoals toegepast bij de naheffingsaanslag. Het beroep met zaaknummer 23/10441 moet daarom ongegrond worden verklaard.
Auto 2 (zaaknummer 23/10440)
4.14.
Tussen partijen is in geschil welke afschrijvingsmethode van toepassing is. Verder is in geschil de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
4.15.
Belanghebbende heeft zijn standpunt met betrekking tot de onafhankelijkheid en deskundigheid van de hertaxateur ter zitting ingetrokken.
Afschrijvingsmethode
4.16.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.17.
De taxateur van belanghebbende heeft voor auto 2 schade geconstateerd voor een bedrag van € 13.289 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 21.500. De hertaxateur van DRZ heeft voor auto 2 ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 346 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.
4.18.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In het ontbreken van de (juiste) inkoopfactuur ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kunnen gebreken aan het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht daarvan.
Handelsinkoopwaarde
4.19.
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van € 34.000 zoals door haar taxateur is vastgesteld. Hij is voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van de gemiddelde verkoopprijzen van referentievoertuigen (marktonderzoek).
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft in zijn taxatierapport opgenomen dat “ongeveer 35% van de vraagprijs is afgetrokken”. De taxateur heeft deze handelsmarge niet verder onderbouwd.
4.20.
Belanghebbende heeft bij de aanvullende gronden van haar beroepschrift een koerslijst van Xray overgelegd waaruit een handelsinkoopwaarde blijkt van € 46.521. De inspecteur heeft deze koerslijst gemotiveerd betwist en onder andere gesteld dat deze koerslijst niet ten tijde van het doen van de aangifte beschikbaar kan zijn geweest aangezien de taxateur deze dan wel bij de stukken zou hebben gevoegd. Dit geldt temeer omdat in het overzicht dat de taxateur bij zijn taxatierapport heeft gevoegd in de middelste kolom een handelsinkoopwaarde van € 60.519 is vermeld op basis van een koerslijst van AutotelexPro. Indien op het moment van taxatie een koerslijst voorhanden zou zijn geweest met een lagere handelsinkoopwaarde dan zou die wel op het betreffende overzicht zijn vermeld, aldus de inspecteur.
4.21.
De rechtbank stelt vast dat als calculatiedatum 23 februari 2022 op de koerslijst van Xray staat vermeld terwijl de aangifte op 7 september 2021 is gedaan. Gelet daarop en gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de koerslijst van Xray reeds voorhanden was op het moment van doen van aangifte. De rechtbank laat deze koerslijst daarom buiten beschouwing en stelt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast op € 57.851 volgens het rapport van hertaxatie van DRZ.
Waardevermindering wegens schade
4.22.
Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat voor auto 2 vast op € 57.602.
Historische nieuwprijs
4.23.
Belanghebbende heeft gesteld dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 129.422. De rechtbank stelt vast dat dit standpunt niet kan leiden tot een verlaging van de naheffingsaanslag zodat deze geen behandeling meer behoeft.
Conclusie auto 2
4.24.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm voor auto 2 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel meest gunstig is zoals toegepast bij de naheffingsaanslag. Het beroep met zaaknummer 23/10440 moet daarom ongegrond worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
4.25.
Belanghebbende heeft in haar beroepschrift van 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.26.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het oudste bezwaarschrift op 9 mei 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 24 maanden overschreden. De rechtbank merkt de zaken 23/10440 en 23/10441 aan als samenhangende zaken. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van eenmaal € 2.000.
4.27.
Omdat de bezwaarfase afgerond 18 maanden heeft geduurd en daarmee 12 maanden te lang, komt € 1.000 (12/24e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.000) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. De rechtbank merkt de zaken 23/10440 en 23/10441 aan als samenhangende zaken. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt ook griffierecht vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] , en ook de redelijke termijn op deze datum was overschreden. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 182,50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat het griffierecht van € 182,50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
4.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.