Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.285 opgelegd door de inspecteur, die de verschuldigde BPM berekende op € 8.969 op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel. Belanghebbende had een lagere BPM aangegeven van € 2.684, gebaseerd op een taxatierapport met een waardevermindering wegens schade.
De rechtbank oordeelt dat het motiveringsbeginsel niet is geschonden omdat de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar voldoende heeft gereageerd op de bezwaargronden. De auto was op het moment van keuring door de RDW goedgekeurd en mocht deelnemen aan het verkeer, waardoor geen sprake was van essentiële gebreken die een BPM-vermindering rechtvaardigen.
De rechtbank neemt de waardevermindering wegens schade niet aan, omdat de schade op het moment van keuring en aangifte was hersteld. Ook de koerslijst die belanghebbende aanvoert wordt buiten beschouwing gelaten vanwege onvoldoende aannemelijkheid en onduidelijke calculatiedatum.
De naheffingsaanslag is daarom terecht en niet te hoog opgelegd. Wel kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 500 voor rekening van de inspecteur en € 1.000 voor de Staat. Daarnaast worden proceskosten van € 233,50 toegekend, te verdelen tussen inspecteur en Staat. Het griffierecht wordt niet vergoed.