Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3789

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/11231
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.285 opgelegd door de inspecteur, die de verschuldigde BPM berekende op € 8.969 op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel. Belanghebbende had een lagere BPM aangegeven van € 2.684, gebaseerd op een taxatierapport met een waardevermindering wegens schade.

De rechtbank oordeelt dat het motiveringsbeginsel niet is geschonden omdat de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar voldoende heeft gereageerd op de bezwaargronden. De auto was op het moment van keuring door de RDW goedgekeurd en mocht deelnemen aan het verkeer, waardoor geen sprake was van essentiële gebreken die een BPM-vermindering rechtvaardigen.

De rechtbank neemt de waardevermindering wegens schade niet aan, omdat de schade op het moment van keuring en aangifte was hersteld. Ook de koerslijst die belanghebbende aanvoert wordt buiten beschouwing gelaten vanwege onvoldoende aannemelijkheid en onduidelijke calculatiedatum.

De naheffingsaanslag is daarom terecht en niet te hoog opgelegd. Wel kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 500 voor rekening van de inspecteur en € 1.000 voor de Staat. Daarnaast worden proceskosten van € 233,50 toegekend, te verdelen tussen inspecteur en Staat. Het griffierecht wordt niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11231

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.285 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 20 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mazda CX-5 2.5i 4 WD Skyactiv-G Luxury met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.684.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 8.969 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd. Hij heeft de afschrijving berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. Verder is in geschil of sprake is van essentiële gebreken en of een waardevermindering wegens schade kan worden toegepast.
Motiveringsbeginsel
4.1.
Een uitspraak op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. [1] Belanghebbende stelt dat de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar niet is ingegaan op toepassing van de koerslijst uit het taxatierapport. Hij is hier voor het eerst in het verweerschrift op ingegaan, aldus belanghebbende. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar uitgebreid ingaat op de hoogte van de handelsinkoopwaarde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daarmee voldoende gereageerd op de bezwaargronden van belanghebbende en is het besluit deugdelijk gemotiveerd. Het motiveringsbeginsel is daarom niet geschonden.
Essentiële gebreken
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat indien sprake is van essentiële gebreken waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, geen vermindering van Bpm kan plaatsvinden. Vaststaat dat de auto op 16 mei 2022 is goedgekeurd door de RDW en dus deel mag nemen aan het verkeer. Door de RDW is kennelijk na beoordeling vastgesteld dat de auto op essentiële onderdelen voldoet aan de vereisten van de wegenverkeerswetgeving en dat geen sprake is van een essentieel gebrek. Dat betekent dat belanghebbende bij het berekenen van de vermindering Bpm in beginsel gebruik kan maken van een taxatierapport.
Waardevermindering wegens schade
4.3.
Met betrekking tot de in aanmerking genomen waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank als volgt.
4.4.
De taxateur van belanghebbende heeft aan de auto schade geconstateerd en daarvan 90% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Daarnaast heeft hij nog een waardevermindering toegepast van € 2.500 wegens “geen oordeel tellerstand RDW”. De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport van en de bijbehorende foto’s. De taxatie van de auto heeft plaatsgevonden op 2 mei 2022, zo is ter zitting komen vast te staan.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat de RDW de auto heeft gekeurd op 16 mei 2022. De inspecteur heeft twee foto’s overgelegd waarop geen schade is te zien ten tijde van deze keuring. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat op het moment van keuring door de RDW de schade reeds was hersteld.
Verder leidt de rechtbank uit de stukken af dat de aangifte Bpm is gedaan op 20 mei 2022. Dit is ná de keuring door de RDW. Dit brengt met zich dat zowel op het moment van de keuring als op het moment van het doen van de aangifte er geen sprake meer was van schade aan de auto. Gelet daarop neemt de rechtbank geen waardevermindering wegens schade in aanmerking. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een waardevermindering wegens “geen oordeel tellerstand RDW” in aanmerking te nemen.
Koerslijst
4.6.
Belanghebbende beroept zich subsidiair op de koerslijst van EurotaxGlass’s die als bijlage bij het taxatierapport is gevoegd. De rechtbank stelt vast dat dit de enige koerslijst is die tot de stukken behoort.
4.7.
Belanghebbende heeft in haar stukken gesteld dat de koerslijst een calculatiedatum heeft van 19 mei 2022 en dat een verschil van drie dagen tussen de datum van keuring bij de RDW en de calculatiedatum van de koerslijst geen verandering kan brengen in de koerslijstwaarde.
4.8.
De bewijslast voor de handelsinkoopwaarde rust op belanghebbende. De rechtbank stelt vast dat op de koerslijst als datum 7 juli 2022 staat vermeld en niet 19 mei 2022. Op deze koerslijst is verder geen andere calculatiedatum vermeld. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan de hand van deze koerslijst de handelsinkoopwaarde kan worden bepaald. Door uit te gaan van een andere datum heeft belanghebbende daar onvoldoende tegenover gesteld. De rechtbank laat deze koerslijst daarom buiten beschouwing.
Hoogte naheffingsaanslag
4.9.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de naheffingsaanslag niet naar te hoog bedrag is opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.10.
Belanghebbende heeft in haar beroepschrift van 27 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 10 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.12.
Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt € 500 (6/18e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.000) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] , echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 500;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.