ECLI:NL:RBZWB:2026:3794

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
11871388 \ CV EXPL 25-4423 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Vermariën
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:262 BWArt. 7:206 lid 1 BWArt. 7:280 BWArt. 6:265 BWArt. 6:96 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder vordert betaling huurachterstand en ontbinding huurovereenkomst wegens niet-betaling

De huurder betaalde sinds mei 2025 geen huur meer, stellende dat verhuurder gebreken aan de woning niet herstelde. De verhuurder was echter niet op de hoogte van klachten voorafgaand aan de dagvaarding en betwistte de ernst van de gebreken. De huurder mocht de huur slechts gedeeltelijk opschorten vanaf oktober 2025 vanwege een lekkage die uiteindelijk eind maart 2026 werd hersteld.

De kantonrechter oordeelde dat de huurder ten onrechte de huur volledig opschortte van mei tot oktober 2025 en vanaf april 2026. De huurachterstand bedroeg uiteindelijk € 8.470,00. De vorderingen tot betaling van de huur werden toegewezen, maar de vordering tot incassokosten en rente werden afgewezen wegens onredelijke bedingen.

De ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming werden voorwaardelijk toegewezen met een termijn (terme de grâce) van één week om de achterstand te voldoen. Bij niet-nakoming volgt ontbinding en ontruiming binnen veertien dagen. De huurder moet vanaf mei 2026 huur betalen tot ontruiming. Proceskosten werden aan huurder opgelegd.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand en krijgt termijn om ontbinding en ontruiming te voorkomen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11871388 \ CV EXPL 25-4423
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van

1.WIJKOPENPANDEN.COM B.V.,

te Hedel,
2.
PHB BEHEER B.V.,
te Wageningen,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: WKP B.V. en PBH B.V.,
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

[gedaagde] huurt een woning. Hij betaalt de huur al langere tijd niet, omdat hij wil dat de verhuurder bepaalde gebreken herstelt. Bij de huidige en vorige verhuurder waren echter geen klachten bekend. Het eerste verzoek om herstel dat vast staat, is pas van na de dagvaarding. Bovendien blijkt niet dat de gebreken zo ernstig zijn dat [gedaagde] de volledige huur mocht opschorten. [gedaagde] krijgt met een terme de grâce een laatste mogelijkheid om ontbinding en ontruiming te voorkomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 1 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
3. De feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- [gedaagde] huurt sinds 24 oktober 2012 de woning aan het [adres]
(hierna: de woning). De huur bedraagt inmiddels € 770,00 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
- De huurovereenkomst is gesloten met de heer [verhuurder] als verhuurder. De woning is op enig moment aan WKP B.V. verkocht. Zij heeft op haar beurt de woning per 18 juli 2025 verkocht aan PBH B.V. die de huidige eigenaar en verhuurder is.
- [gedaagde] heeft vanaf 1 mei 2025 de huur niet meer betaald. De gemachtigde van WKP B.V. en PBH B.V. heeft [gedaagde] op 23 juli 2025 aangemaand om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Daarna heeft de gemachtigde van WKP B.V. en PBH B.V. nog twee keer een aanmaning gestuurd. [gedaagde] heeft toen niet gereageerd.
- [gedaagde] is vervolgens bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.
- Op 12 september 2026 hebben WKP B.V. en PBH B.V. de dagvaarding tegen [gedaagde] laten uitbrengen.
- Op 30 september 2026 heeft [gedaagde] telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van WKP B.V. en PBH B.V., waarna hij dezelfde dag per e-mailbericht zijn verweer tegen de aanmaningen heeft gestuurd. De gemachtigde van WKP B.V. en PBH B.V. heeft [gedaagde] laten weten dat hij over herstel van gebreken rechtstreeks contact met PBH B.V. moest opnemen. Dat heeft [gedaagde] vervolgens per e-mailbericht van 8 oktober 2025 gedaan.
- PBH B.V. heeft [gedaagde] op 9 oktober 2025 per e-mailbericht geschreven:
“Gezien het feit dat ik uw email nu pas ontvang heb, lijken de door u genoemde gebreken blijkbaar niet ernstige van aard. Dit wordt bevestigd door het feit dat u hier naar mij toe nooit eerder melding van heeft gemaakt. Op dit moment zie ik geen reden af te wijken van de ingezette koers en zal ik de uitkomst van de lopende procedure af te wachten.”

4.Het geschil

4.1.
PBH B.V. vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de gehuurde woning. Daarnaast vordert zij samen met eiseres WKP B.V. betaling van in totaal € 8.470,00 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
4.2.
WKP B.V. en PBH B.V. leggen aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens PBH B.V. de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat sprake is van meerdere en ernstige technische en bouwkundige gebreken in de woning. Het gaat om problemen met (de aansluiting van) het gasfornuis, een lekkage vanaf het dak, loslaten van de korrelvloer, een spleet in de muur, lambrisering die los laat en krom staat van het vocht, een losse waterkraan en een niet afgewerkt gat waardoor kabels zijn getrokken die bovendien in het zicht hangen. [gedaagde] wil graag de huur betalen als deze problemen worden opgelost en hij wordt gehoord. Volgens hem was de vorige eigenaar op de hoogte van de gebreken en had hij beloofd het op te lossen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter merkt allereerst op dat [gedaagde] zonder bericht van verhindering niet is verschenen op de mondelinge behandeling van 1 april 2025. [gedaagde] is in de uitnodiging van 29 oktober 2025 voor die mondelinge behandeling erop gewezen dat als hij niet naar de zitting komt, de rechter toch beslist over de rechtszaak en dat zijn niet-verschijnen in zijn nadeel kan werken. Door niet te komen en zich ook niet te laten vertegenwoordigen, heeft [gedaagde] de mogelijkheid voorbij laten gaan om nader inhoudelijk verweer te kunnen voeren tegen de vordering van WKP B.V. en PBH B.V. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van WKP B.V. en PBH B.V. voor zover [gedaagde] in zijn antwoord op de dagvaarding daarop geen verweer heeft gevoerd.
5.2.
Bij brief van 22 april 2026, welke brief op 23 april 2026 door de kantonrechter is ontvangen, heeft [gedaagde] de kantonrechter gevraagd de zaak aan te houden omdat hij de zitting door persoonlijke omstandigheden (een gebroken enkel) was vergeten. Ook neemt hij in deze brief stellingen in over gebreken aan de woning.
5.3.
De brief is pas 22 dagen na de zitting en kort voor de geplande uitspraakdatum ontvangen. Het zou in strijd zijn met de goede procesorde wanneer deze alsnog wordt meegenomen. WKP B.V. en PBH B.V. hebben hier namelijk niet op kunnen reageren, zodat een nieuwe schriftelijke ronde of een nieuwe zitting zou moeten volgen om dit mogelijk te maken met alle vertraging van dien. Ook is het verzoek pas 22 dagen na de zitting gedaan, terwijl een gebroken enkel – hoe vervelend en pijnlijk ook – niet een zodanig uitzonderlijke omstandigheid is die met zich brengt dat dit niet eerder had gekund. Dit betekent dat de brief bij de beoordeling van de zaak buiten beschouwing wordt gelaten.
1.
De vorderingen tot betaling van de huur worden toegewezen
5.4.
De kantonrechter stelt voorop dat een huurder verplicht is om de huur op tijd en volledig te betalen. WKP B.V. en PBH B.V. hebben onbetwist gesteld dat [gedaagde] deze verplichting vanaf mei 2025 niet is nagekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft PBH B.V. toegelicht dat [gedaagde] ook na de dagvaarding geen enkele huur heeft betaald en dat de huurachterstand met een bedrag van € 5.390,00 (7 maanden huur * € 770,00) is toegenomen. Daarmee staat vast dat sprake is van huurachterstand tot april 2026 van € 8.470,00. [gedaagde] heeft dus al bijna een jaar geen enkele huur meer betaald.
[gedaagde] mocht in de periode mei 2025 tot en met oktober 2025 de huur niet opschorten
5.5.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] met zijn verweer een beroep doet op opschorting. Opschorting is geregeld in artikel 6:262 BW Pro (Burgerlijk Wetboek). Op basis van dit wetsartikel is – kort samengevat – een huurder bevoegd zijn verplichting tot het betalen van huur op te schorten, zolang de verhuurder zijn daartegenover staande verplichting tot het verschaffen van woongenot niet nakomt. De opschorting moet wel in verhouding staan tot het verminderde woongenot. Daarbij komt dat het naar vaste rechtspraak (zie HR 6 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2389) in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is wanneer een huurder stopt met huur betalen zolang hij heeft nagelaten om mededeling van de gebreken te doen aan de verhuurder.
5.6.
De verhuurder is op grond van artikel 7:206 lid 1 BW Pro [1] verplicht om gebreken te herstellen als de huurder dat verzoekt. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij al voor 1 mei 2025 met de (toenmalige) verhuurder had afgesproken dat die gebreken in de woning zou herstellen, maar WKP B.V. en PBH B.V. hebben dat betwist en aangegeven dat zij niets wisten van een herstelverzoek. Zij hebben [gedaagde] daarom ook gevraagd aan te geven wanneer en bij wie hij zou hebben geklaagd. [gedaagde] heeft hier echter niet op gereageerd en niets overgelegd waaruit blijkt dat hij vóór 1 mei 2025 al aan zijn verhuurder had gevraagd om gebreken te herstellen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] nog niet geklaagd had op het moment dat hij stopte met het betalen van huur. Dat betekent dat [gedaagde] op dat moment zijn huurbetalingsverplichting (nog) niet mocht opschorten.
5.7.
Wel staat vast dat [gedaagde] op 8 oktober 2025 bij PBH B.V. heeft geklaagd over de gebreken met het verzoek ze op te lossen. PBH B.V. heeft op 9 oktober 2025 per
e-mailbericht de gebreken weliswaar betwist, maar de kantonrechter is van oordeel dat voldoende blijkt dat hiervan sprake was. Zo is op de foto’s van [gedaagde] , die hij op 8 oktober 2025 ook aan PBH B.V. heeft gestuurd, een zeer grote lekkageplek op het plafond te zien. Daaronder staat een emmer op de vloer, waarbij van het plafond losgekomen stuukwerk op de vloer ligt. Dit gebrek is in ieder geval zodanig, dat dit (gedeeltelijke) opschorting van de huurbetalingsverplichting rechtvaardigt. Hierop wordt later in dit vonnis nader ingegaan. Bovendien heeft PBH B.V. tijdens de mondelinge behandeling erkend dat er lekkage was en dat die hersteld moest worden. De andere gebreken heeft zij gedeeltelijk betwist.
Op grond hiervan moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] vanaf 8 oktober 2025 een opschortingsrecht had.
5.8.
Volgens PBH B.V. is met [gedaagde] afgesproken dat eerst de lekkage zou worden hersteld en daarna gekeken zou worden naar de gestelde andere gebreken, waarbij zij betwist dat er iets mis is met het gasfornuis van [gedaagde] en geen problemen ziet in een enkele scheur in een muur. PBH B.V. heeft verklaard dat zij het herstel van de lekkage, afkomstig van het dak, daadwerkelijk heeft laten uitvoeren. Een eerste herstelpoging bleek onvoldoende, waarna de lekkage volgens PBH B.V. definitief is hersteld de dag voor de mondelinge behandeling op 1 april. Dit is door [gedaagde] niet betwist, zodat daaruit volgt dat [gedaagde] tot 1 april 2026 een opschortingsrecht had wegens de lekkage aan het plafond. Voor de andere gebreken stelt dat deze, gezien de betwisting van PBH B.V. en het uitblijven van een reactie daarop van [gedaagde] , onvoldoende vast zijn komen te staan dan wel dat zij niet ernstig genoeg zijn om een opschorting te rechtvaardigen.
5.9.
Op grond van het bovenstaande staat vast dat [gedaagde] ten onrechte de huur heeft opgeschort over de maanden mei tot en met oktober 2025 en vanaf april 2026. Vanaf november 2025 tot en met maart 2026 mocht [gedaagde] de huur wel (gedeeltelijk) opschorten, nu de lekkage aan het dak zijn woongenot dusdanig beperkte dat hier voldoende grond toe was. Het is nog wel de vraag tot welk bedrag [gedaagde] zich op opschorting kon beroepen.
[gedaagde] mocht vanaf 1 november 2025 tot en met maart 2026 de huur wel deels opschorten
5.10.
In verband met de hoogte van het opgeschorte huurbedrag hebben WKP B.V. en PBH B.V. tijdens de mondelinge behandeling het verweer gevoerd dat de opschorting van het gehele huurbedrag niet redelijk is. Zij hebben daarbij gesteld dat als het zou gaan om een categorie B gebrek, [gedaagde] hooguit een deel van de huur mocht achterhouden.
5.11.
De kantonrechter is het met WKP B.V. en PBH B.V. eens dat een volledige huuropschorting niet in verhouding staat tot de ernst van de gebreken en meer specifiek de lekkage in de woonkamer. Op de overgelegde foto’s is één emmer te zien in de woonkamer, waarbij de rest van de woning en woonkamer nog (goed) bruikbaar leken te zijn voor [gedaagde] . Nu [gedaagde] niet aanwezig was ter zitting om verdere uitleg te geven, wordt hier vanuit gegaan. De overige door [gedaagde] gestelde gebreken zijn gemotiveerd betwist (de ernst van de scheuren in de muur, de scheuren in de vloer, dat sprake zou zijn van een lekkende gasleiding), of onvoldoende ernstig om de huur te mogen opschorten (een losse internetkabel).
5.12.
Bij de beantwoording van de vraag tot welk bedrag opschorting gerechtvaardigd was, ziet de kantonrechter aanleiding aan te sluiten bij de uitgangspunten en wettelijke regeling zoals ook gehanteerd door de Huurcommissie. Wat onder een categorie B-gebrek valt, is bepaald in bijlage II van het Besluit huurprijzen woonruimte. Het gaat daarbij om ernstige gebreken aan en tekortkomingen ten aanzien van de woonruimte. De lekkage in de woning is een gebrek zoals omschreven onder Categorie B punt 3, waar staat: “
De bruikbaarheid van de woonruimte is ernstig belemmerd ten gevolge van lekkage van de buitenschil van de woonruimte waardoor hemelwater de woonruimte binnendringt.” Uit artikel 6 van Pro het Besluit huurprijzen woonruimte volgt dat als sprake is van zo’n gebrek, de Huurcommissie ten laagste 30% van de overeengekomen huurprijs als redelijke huurprijs bepaalt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde] in verband met dit gebrek in redelijkheid een percentage van 70% van de huurprijs mocht opschorten. Dat betekent dat hij 30% van de huur, een bedrag van (€ 770,00 * 30% =) € 231,00 per maand over de periode van november 2025 tot en met maart 2026 nog wel moest betalen.
[gedaagde] moet de achterstallige huur betalen
5.13.
De vordering van WKP B.V. tot betaling van huur ziet op de periode 1 mei 2025 tot en met 17 juli 2025. In die periode heeft [gedaagde] ten onrechte betaling van de huur opgeschort. Daarom wijst de kantonrechter deze vordering voor een bedrag van € 1.962,26 aan WKP toe.
5.14.
De vordering van PBH B.V. tot betaling van achterstallige huur wordt ook toegewezen. Hoewel [gedaagde] zijn verbintenis tot betaling van huur over de periode van november 2025 tot en met maart 2026 (deels) mocht opschorten, is ter zitting als onbetwist vast komen te staan dat de gebreken aan het dak die de gedeeltelijke ontbinding rechtvaardigden inmiddels zijn verholpen. Dat betekent dat [gedaagde] het door hem terecht ingehouden bedrag aan huur (het opgeschorte bedrag) nu alsnog moet betalen. Een geslaagd beroep op opschorting leidt namelijk tot uitstel van betaling, maar niet tot afstel daarvan.
[gedaagde] wordt dan ook veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 6.507,74 (€ 1.117,74 aan huur over de periode van 18 juli 2025 t/m augustus 2025, en 7 maanden huur sindsdien ad € 5.390,00) aan PBH B.V.
2.
De vordering tot betaling van rente en incassokosten worden afgewezen
5.15.
WKP B.V. en PBH B.V. vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. In de huurovereenkomst zijn in verband daarmee de volgende bepalingen opgenomen:
17.1
Verhuurder heeft, indien huurder bij de nakoming van enige uit deze huurovereenkomst voortvloeiende verplichting in verzuim verkeert, het recht naast (indien van toepassing) de verschuidigde hoofdsom en de rente alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten te vorderen die zijn veroorzaakt door het verzuim van huurder. De buitengerechtelijke kosten worden tussen partijen vastgesteld op ten minste 15% van de hoofdsom en de openstaande rentekosten, met een minimum van € 200,00.
17.2
In geval van niet stipte betaling heeft verhuurder (voorts) het recht een vergoeding wegens renteverlies in rekening te brengen van 1% per maand. Deze rentevergoeding is aan het einde van ieder kalenderjaar cumulatief. Een verstreken gedeelte van een maand zal als één maand worden aangemerkt.
In de Algemene Voorwaarden bij de huurovereenkomst zijn in artikel 20 vergelijkbare Pro bepalingen opgenomen in verband met vergoeding van rente en incassokosten, waarbij in verband met de incassokosten een minimumbedrag van € 125,00 is bepaald.
5.16.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet ambtshalve worden beoordeeld of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn).
5.17.
Het contractuele beding over de buitengerechtelijke incassokosten wijkt in het nadeel van [gedaagde] af van artikel 6:96 lid 5 BW Pro en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit). De bedongen vergoeding is namelijk altijd ten minste 15% van de hoofdsom en openstaande rente, met een minimum van
€ 125,00, en daarmee hoger dan de vergoeding conform het Besluit. Het beding is daarom onredelijk bezwarend (en dus oneerlijk) voor [gedaagde] en moet vernietigd worden.
5.18.
In het contractuele beding over de rente is een rente bedongen die hoger is dan de bij het aangaan van de huurovereenkomst geldende wettelijke rente, die in het algemeen eerlijk wordt geacht. Het beding is daarmee onredelijk bezwarend (en dus oneerlijk) voor [gedaagde] en moet vernietigd worden.
5.19.
Doordat de kantonrechter deze bedingen vernietigt, kunnen WKP B.V. en PBH B.V. ook geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder de oneerlijke bedingen. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde vergoedingen voor incassokosten en rente zullen daarom worden afgewezen.
3.
De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden voorwaardelijk toegewezen
5.20.
In verband met de gevorderde ontbinding is uitgangspunt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [2] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [3]
5.21.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand vier maanden. Daarna is de huurachterstand nog verder opgelopen tot elf maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
5.22.
Wel weegt de kantonrechter mee dat al langere tijd sprake was van gebreken aan de woning, waardoor [gedaagde] zich over een langere periode op opschorting kon beroepen. Weliswaar staat vast dat PBH B.V. na de klacht van [gedaagde] begin oktober 2025 direct contact met hem heeft opgenomen, maar volledig herstel van de lekkage heeft pas eind maart 2026 plaatsgevonden. Dat het volgens PBH B.V. niet makkelijk was om een afspraak in te plannen met [gedaagde] en dat hij haar niet voortvarend heeft geïnformeerd of de lekkage na het eerste herstel daadwerkelijk was verholpen, doet daaraan niet af. Dat neemt overigens niet weg dat [gedaagde] ten onrechte over een geruime periode de huur volledig onbetaald heeft gelaten, zonder enige actie richting WKP B.V. of PBH B.V. te ondernemen. Dit kan [gedaagde] worden aangerekend. [gedaagde] heeft uiteindelijk pas na dagvaarding én na advies van de gemachtigde van WKP B.V. en PBH B.V. de gebreken bij PBH B.V. gemeld en aangegeven dat hij pas wilde betalen als die waren opgelost.
5.23.
De kantonrechter is alles overwegende van oordeel dat de tekortkoming van [gedaagde] de ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. Daarbij stelt de kantonrechter vast dat aan de daarvoor vereiste informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening is voldaan.
5.24.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de mogelijkheid van een terme de grâce voor [gedaagde] benoemd, zoals opgenomen in de wet in artikel 7:280 BW Pro. Dat houdt in dat de kantonrechter aan [gedaagde] nog een laatste termijn kan geven om ineens de betalingsachterstand te voldoen.
5.25.
Omdat [gedaagde] de woning al vanaf 2012 huurt en niet blijkt dat hij vóór 1 mei 2025 (al dan niet structureel) de huur niet betaalde, hij zich op een opschortingsrecht kon beroepen, hij heeft verklaard dat hij wil betalen als de problemen worden opgelost en PBH B.V. tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat [gedaagde] heeft gezegd dat hij het geld wel heeft, zal de kantonrechter [gedaagde] een betalingstermijn van één week na betekening van het vonnis (terme de grâce) op grond van artikel 7:280 BW Pro gunnen. Uitsluitend als door [gedaagde] de bestaande huurachterstand niet binnen die termijn wordt voldaan, wordt de onderhavige huurovereenkomst ontbonden. In dat geval dient de woning ook ontruimd te worden. Daarbij wijst de kantonrechter een ontbindingstermijn van veertien dagen toe, omdat dit een redelijke termijn is en PBH B.V. niet heeft gemotiveerd dat [gedaagde] op kortere termijn de woning zou moeten verlaten.
5.26.
PBH B.V. wil dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 770,00, te rekenen vanaf april 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen, voor zover en enkel in geval dat aan de onder 5.25. genoemde voorwaarde voor ontbinding van de huurovereenkomst zal zijn voldaan.
4.
De ontruimingskosten worden afgewezen
5.27.
Ten aanzien van de gevorderde ontruimingskosten overweegt de kantonrechter dat deze zullen worden afgewezen. Op grond van artikel 237 lid 3 Rv Pro (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) wordt het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld bij het vonnis vastgesteld, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt. Daarvan is bij de gevorderde ontruimingskosten geen sprake; dit zijn immers kosten die ná het ontruimingsvonnis (mogelijk) worden gemaakt. Op het moment van het ontruimingsvonnis staat nog niet vast of deze kosten zullen worden gemaakt en zo ja, in welke omvang. Dit deel van de vordering is in zoverre ook te onbepaald om te kunnen worden toegewezen.
5.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
5.28.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van WKP B.V. en PBH B.V. worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.369,78

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis te betalen:
- aan WKP B.V. een bedrag van € 1.962,26 aan achterstallige huur tot en met 17 juli 2025,
- aan PBH B.V. een bedrag van € 6.507,74 aan achterstallige huur vanaf 18 juli 2025 tot april 2026,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.369,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde aan het [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van PBH B.V. zijn, en de sleutels af te geven aan PBH B.V. en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de huur van € 770,00 per maand vanaf mei 2026 tot aan de ontbinding en vanaf ontbinding een bedrag gelijk aan de huurprijs aan schadevergoeding voor elke ingegane maand tot aan de ontruiming, voor zover van toepassing te vermeerderen met de jaarlijkse indexering
indien en zodra wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
[gedaagde] komt zijn verplichting zoals beslist onder 6.1. niet binnen één week na betekening van dit vonnis na,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.De verhuurder is verplicht op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen.
2.Artikel 6:265 BW Pro.
3.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)