Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid
geheelontbrak. De rechtbank constateert dat zowel de psychiater als de psycholoog noch uitsluiten noch concluderen dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. Volgens de deskundigen is onduidelijk gebleven waarom verdachte ondanks zijn stoornis eerder wel in staat is gebleken zich te conformeren aan het contactverbod. Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het dossier aanknopingspunten bevat dat verdachte ondanks zijn stoornis voldoende doordrongen was van de wederrechtelijkheid van de feiten en - getuige zijn handelen en de verklaring hiervoor - ook in staat is gebleken om zijn handelen daarop af te stemmen. Uit het dossier volgt namelijk dat verdachte op een aantal momenten berekenend te werk is gegaan, zoals dat verdachte in de brief die hij op 29 december 2024 heeft geschreven voor [slachtoffer 1] schrijft dat de brief pas op 5 maart 2025 aan [slachtoffer 1] mag worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat verdachte wel degelijk wist dat er aan hem een gedragsaanwijzing was opgelegd en heeft hij er bewust voor gekozen om toch een brief gericht aan [slachtoffer 1] te schrijven. Bovendien heeft verdachte op zitting over de belaging verklaard dat hij “de wettekst erop heeft nageslagen” en hij gelet daarop van mening is dat hij niet strafbaar heeft gehandeld. Ook hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de keuzevrijheid en sturingsmogelijkheden niet zodanig werden belemmerd dat ieder inzicht in de wederrechtelijkheid van zijn handelen ontbrak. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte dan ook niet als volledig toerekeningsvatbaar worden aangemerkt. Verdachte komt daardoor geen geslaagd beroep toe op artikel 39 Sr Pro.
6.De strafoplegging
7.De vorderingen van de benadeelde partijen
4.655,14) en gederfde inkomsten (€ 1.000,00)
8.De wettelijke voorschriften
9.Beslissing
een gevangenisstraf van vier maanden;
terbeschikkingstellingvan verdachte,
met verpleging van overheidswege;
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de (verlenging van de) gedragsaanwijzing d.d. 24 februari 2025, gegeven door de officier van justitie te Breda
(arrondissementsparket Zeeland - West-Brabant), kort weergegeven (onder meer) hij, verdachte, zicht niet op mag houden in de gemeente [plaats 2] en op geen enkele wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1] , door (telkens) (onder meer via een ander of anderen) [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 1979 te [geboorteplaats 2] ) een of meerdere brieven en/of emails en/of emailberichten te sturen;
( art 184a lid 1 Wetboek van Strafrecht )