4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-141785-24, 02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25
Verdachte wordt onder parketnummer 02-141785-24 verweten dat hij [slachtoffer 1] heeft belaagd. Onder de parketnummers 02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25 wordt hem verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing. Gelet op de verdenking van de belaging is er namelijk op 25 april 2024 aan verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd voor een periode van 90 dagen. Op 4 december 2024 is er opnieuw aan verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd voor 90 dagen. Deze gedragsaanwijzing is op 24 februari 2025 met ingang van 4 maart 2025 verlengd voor 90 dagen. De gedragsaanwijzingen hielden allemaal onder andere in dat verdachte geen contact mocht hebben met [slachtoffer 1] .
02-141785-24: belaging
Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank stelt op de grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de periode van 1 maart 2024 tot en met 17 april 2024 veelvuldig e-mails en kaarten heeft gestuurd naar [slachtoffer 1] en haar familie. Ook heeft verdachte [slachtoffer 1] meerdere keren gebeld en haar voicemail ingesproken. Dit terwijl [slachtoffer 1] geen contact met verdachte wilde. Gelet op de inhoud en de frequentie van deze e-mails en kaarten en het aantal oproepen heeft verdachte met het sturen ervan en het bellen wederrechtelijk en stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] .
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van de gedragingen die zien op het sturen van cadeaus naar [slachtoffer 1] en het lopen langs haar woning. Uit het dossier blijkt namelijk dat dit zich heeft afgespeeld vóór de ten laste gelegde periode. De rechtbank zal verdachte ook partieel vrijspreken van de periodes 29 februari 2024 tot 1 maart 2024 en 18 april tot en met 25 april 2024, omdat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat verdachte in die periodes contact met [slachtoffer 1] heeft gezocht.
De belaging in de periode van 1 maart 2024 tot en met 17 april 2024 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
02-186116-24: handelen in strijd met een gedragsaanwijzing
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 25 april 2024 tot en met 31 mei 2024 heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing door [slachtoffer 1] meerdere malen tekstberichten, kaarten en e-mails (ook aan haar moeder) te versturen, zoals hierna onder 4.4. weergegeven.
02-002025-25: handelen in strijd met een gedragsaanwijzing
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 29 december 2024 een brief die gericht was aan [slachtoffer 1] naar de buurvrouw van [slachtoffer 1] heeft gestuurd. Dit heeft verdachte ook bekend. Deze brief is op 31 december 2024 bij de buurvrouw aangekomen.
Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de gedragsaanwijzing gold tot 5 maart 2025 en dat het zijn bedoeling was dat de brief pas na 5 maart 2025 aan [slachtoffer 1] werd gegeven. De rechtbank is van oordeel dat alleen het schrijven en versturen van de brief al een overtreding van de gedragsaanwijzing oplevert. Daarbij komt dat in de brief duidelijk stond vermeld dat de brief bij [slachtoffer 1] terecht moest komen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 29 december 2024 tot en met 31 december 2024 heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing.
02-071960-25: handelen in strijd met een gedragsaanwijzing
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 maart 2025 tot en met 8 maart 2025 heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing, te weten de (verlenging van de) gedragsaanwijzing van 24 februari 2025. De rechtbank constateert dat de in de tenlastelegging genoemde gedragsaanwijzing van 24 februari 2025 in gaat op 4 maart 2025. Dit maakt dat de rechtbank in beginsel uitgaat van de periode van 4 maart 2025 tot en met 8 maart 2025.
Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte op 4, 5 en 8 maart 2025 contact met [slachtoffer 1] heeft gezocht. De rechtbank zal verdachte van die periodes partieel vrijspreken. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 6 maart 2025 tot en met 7 maart 2025 heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing door [slachtoffer 1] onder meer via anderen meerdere malen e-mails te versturen, zoals hierna onder 4.4. weergegeven.
02-077925-24
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte vast dat verdachte [slachtoffer 2] in totaal drie keer heeft geslagen in zijn gezicht.
Volgens de officier van justitie en de verdediging komt verdachte een geslaagd beroep op noodweer toe. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Op basis van de aangifte en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte op 6 maart 2024 naar de woning van [slachtoffer 2] is gegaan. Verdachte heeft daar vuilniszakken en een kliko verplaatst en deze als een barricade voor de voordeur van [slachtoffer 2] gezet. Ook heeft verdachte een eetlepel op de deurklink van [slachtoffer 2] gelegd. Hierop heeft [slachtoffer 2] de politie gebeld. Om te voorkomen dat verdachte wegging, heeft [slachtoffer 2] de fiets van verdachte op slot gezet en verdachte vastgepakt aan zijn arm/jas. In reactie hierop heeft verdachte [slachtoffer 2] één keer geslagen in zijn gezicht. Verdachte is vervolgens weer weggelopen waarop aangever hem nog een keer heeft vastgepakt. Hierna heeft verdachte [slachtoffer 2] nog twee keer geslagen in zijn gezicht. Naar het oordeel van de rechtbank was er op de momenten dat verdachte [slachtoffer 2] sloeg geen sprake van een wederrechtelijke aanranding. Het is immers verdachte zelf die op het terrein van [slachtoffer 2] aan de spullen van [slachtoffer 2] heeft gezeten en hem vervolgens heeft geslagen. Dat [slachtoffer 2] daarop verdachte tot twee keer toe heeft vastgepakt om te voorkomen dat hij wegging in afwachting van de komst van de politie, is naar het oordeel van de rechtbank een geoorloofde reactie op het handelen van verdachte. Verdachte komt dan ook geen beroep op noodweer toe. Het verweer wordt verworpen.
Gelet op het voorgaande en op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem meerdere keren te slaan in zijn gezicht.
Feit 2
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangifte van [benadeelde] en de op dit punt bekennende verklaring van verdachte.