Uitspraak
),in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[betrokkene], uit [woonplaats] (betrokkene),
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene diende op 4 september 2025 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering, welke door het college van burgemeester en wethouders van Breda op 24 november 2025 werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van objectieve en verifieerbare bewijsstukken over de besteding van contant opgenomen vermogen uit een erfenis, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Betrokkene maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Zij stelde dat uit bankafschriften en andere stukken blijkt dat schulden zijn afbetaald en verwees naar jurisprudentie over het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het college voerde aan dat een groot deel van het vermogen contant was opgenomen zonder verifieerbare onderbouwing en dat betrokkene bepaalde betalingen niet wilde openbaren vanwege privacy, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht stelde dat er onduidelijkheden zijn over de besteding van het contante geld en dat betrokkene onvoldoende stukken heeft overgelegd om dit te onderbouwen. Hoewel het college met welwillendheid naar nadere stukken kan kijken, is de onzekerheid nu te groot. Daarom is er onvoldoende grond om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing van de besteding van contant opgenomen erfenisgeld.