Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3814

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
26/2048
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing bijstandsuitkering wegens onduidelijkheid besteding erfenis

Betrokkene diende op 4 september 2025 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering, welke door het college van burgemeester en wethouders van Breda op 24 november 2025 werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van objectieve en verifieerbare bewijsstukken over de besteding van contant opgenomen vermogen uit een erfenis, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Betrokkene maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Zij stelde dat uit bankafschriften en andere stukken blijkt dat schulden zijn afbetaald en verwees naar jurisprudentie over het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het college voerde aan dat een groot deel van het vermogen contant was opgenomen zonder verifieerbare onderbouwing en dat betrokkene bepaalde betalingen niet wilde openbaren vanwege privacy, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht stelde dat er onduidelijkheden zijn over de besteding van het contante geld en dat betrokkene onvoldoende stukken heeft overgelegd om dit te onderbouwen. Hoewel het college met welwillendheid naar nadere stukken kan kijken, is de onzekerheid nu te groot. Daarom is er onvoldoende grond om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing van de besteding van contant opgenomen erfenisgeld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2048
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] B.V. te Breda (verzoekster
),in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[betrokkene], uit [woonplaats] (betrokkene),
(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening namens betrokkene tegen de afwijzing van de aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.
1.1.
Betrokkene heeft op 4 september 2025 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 november 2025 afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat betrokkene niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken heeft kunnen aantonen wat er met het vermogen uit de erfenis is gebeurd. Er kan niet worden vastgesteld dat er geen geldstroom meer is van contant opgenomen geld uit de erfenis. Hierdoor is het recht op bijstand niet te beoordelen.
1.2.
Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat uit de overgelegde bankafschriften en overige stukken blijkt dat betrokkene van de erfenis schulden heeft afbetaald aan instanties en aan vrienden en kennissen. Onder vermelding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2015:3367) is namens betrokkene gesteld dat, nu de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, het recht op bijstand voor de duur van vier maanden kan worden verleend in de vorm van een geldlening.
1.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het merendeel van het vermogen (€ 127.900,- in de periode van september 2022 tot en met september 2025) contant is opgenomen zonder dat hiervoor verifieerbare stukken zijn aangeleverd. Doordat betrokkene expliciet heeft aangegeven bepaalde betalingen niet te willen openbaren vanwege privacy blijft een significant deel van de besteding onduidelijk en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Omdat het recht niet kan worden vastgesteld komt het college niet toe aan het beoordelen van tekortschietend besef.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de bewindvoerder [vertegenwoordiger] , betrokkene en de gemachtigde en namens het college [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Gelet op hetgeen namens betrokkene naar voren is gebracht over schulden en de huurachterstand, wordt een spoedeisend belang aanwezig geacht.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt.
5. Het is aan degene die een aanvraag indient om aan te tonen dat sprake is van bijstandbehoevende omstandigheden. Vervolgens is het aan het college om te beoordelen of dat klopt. Als de aanvrager niet kan aantonen dat hij of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, dan wordt de aanvraag afgewezen. Dat laatste heeft het college in dit geval gedaan.
6. Het college heeft aan betrokkene gevraagd wat er gebeurd is met de contante opnames. Betrokkene heeft daar wel op gereageerd, maar volgens het college heeft zij dit met onvoldoende verifieerbare stukken onderbouwd. Om die reden stelt het college dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen stellen dat er onduidelijkheden zijn met betrekking tot het contante geld. Het college heeft al eerder, en nogmaals ter zitting, aangegeven dat betrokkene onderbouwende stukken moet overleggen. Betrokkene heeft nog steeds geen nadere motivering gegeven, anders dan dat ze stelt dat ze schulden heeft afbetaald en aankopen heeft gedaan. Ze heeft dit niet nader onderbouwd met stukken.
7. Ter zitting is discussie gevoerd over het feit dat betrokkene haar financiële situatie, met name de besteding van de contante opnames nooit met stukken geheel sluitend gaat krijgen. De rechtbank begrijpt uit hetgeen het college ter zitting heeft gezegd, en acht het reëel, dat het college met enige welwillendheid gaat kijken naar wat er aangeleverd gaat worden. Op dit moment is de onzekerheid echter nog te groot en is het inzicht in de financiële situatie van betrokkene te onduidelijk. Het college mag dat op dit moment nog stellen. Zolang betrokkene geen nadere stukken aanlevert, bestaat de verwachting dat het bestreden besluit in bezwaar stand houdt. Dat laat weinig ruimte voor de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat er voor eiseres niets verandert. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.