6.3.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich op 20 augustus 2025 schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een woningoverval, een bedreiging met een vuurwapen en het bezit van een vuurwapen en munitie. De rechtbank bestempelt dit gedrag van verdachte als zeer verwerpelijk.
Verdachte heeft zich samen met twee vrienden door een taxichauffeur van Rotterdam naar Breda laten rijden. Hij had in Breda een afspraak met aangever [benadeelde] , die via Marktplaats een Rolex horloge te koop had aangeboden. Verdachte had een pistool in zijn broeksband zitten om [benadeelde] eventueel af te schrikken of het te gebruiken in het geval dat hij zou worden beetgepakt of geslagen. Zijn plan was om snel het horloge te pakken/stelen en weg te rennen op het moment dat [benadeelde] de horloge aan verdachte zou laten zien. Het verliep anders, omdat [benadeelde] de situatie niet vertrouwde. Nadat [benadeelde] verdachte in zijn woning had binnen gelaten en hij vaststelde dat verdachte zich met een andere naam voorstelde dan [benadeelde] had verwacht, vroeg [benadeelde] hem naar zijn legitimatiebewijs. Verdachte antwoordde dat hij dit uit de auto moest pakken en liep vervolgens terug naar de taxi. [benadeelde] liep samen met een kennis, die toevallig bij hem op bezoek was en de situatie ook niet vertrouwde, achter verdachte aan. Hij zag toen dat verdachte niet alleen was, maar samen met drie andere mannen, en vroeg of zij hem wilden rippen. Verdachte trok daarop zijn wapen, laadde dat door en richtte dat op [benadeelde] . Vervolgens vluchtte hij samen met zijn vrienden in de taxi en reden terug naar Rotterdam .
Blijkens de aangifte en de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring is dit een heftige gebeurtenis geweest voor [benadeelde] . Toen verdachte het wapen op hem richtte, ging door zijn hoofd: “Als ik maar geen schot hoor”. [benadeelde] dacht daarbij aan alle ellendige gevolgen voor zijn gezin als verdachte werkelijk zou schieten. Het doorladen van het wapen maakte de bedreiging groter.
Als gevolg van deze gebeurtenis heeft [benadeelde] mentale klachten ondervonden, heeft hij gesprekken met een maatschappelijk werker gehad en is hij enkele weken niet in staat geweest om te werken. [benadeelde] mocht er op vertrouwen dat hij te maken had met een eerlijke koper die hij in zijn woning uitnodigde, zijnde een plek waar hij en zijn gezin zich bij uitstek veilig en beschermd moeten kunnen voelen. Maar [benadeelde] werd geconfronteerd met een malafide koper, die bij hem thuis aan tafel heeft gezeten, kennelijk toen al in het bezit van een vuurwapen was en hem daarmee korte tijd later heeft bedreigd.
Nu veel goederen particulier worden verhandeld via online platformen zoals Marktplaats, ervaart ook de samenleving dit soort misdrijven als schokkend en dragen ze bij aan gevoelens van onrust, argwaan en onveiligheid.
De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat verdachte met een wapen, waarvan hij dacht dat het een echt vuurwapen was, heeft rond gelopen. Hij deinsde er bovendien niet voor terug om dit wapen ook daadwerkelijk te gebruiken. Dat hij een wapen bij zich zou moeten dragen om zichzelf te kunnen beschermen, is een niet kloppende gedachtegang. Het dragen en het gebruik van een wapen heeft geen de-escalerend effect, maar vergroot juist de kans dat een conflict of andere situatie die als bedreigend, lastig of onzeker wordt ervaren enorm uit de hand kan lopen.
Verdachte heeft bij alle nadelige gevolgen van zijn handelen niet stil gestaan.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vorig jaar is veroordeeld voor diefstal en verboden wapenbezit. Er is dus sprake van recidive.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het advies van de Raad en de toelichting hierop op de zitting door de medewerkster van de Raad. Volgens de Raad is het risico op herhaling hoog. De Raad adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf. De Raad heeft ter zake van de voorwaardelijke straf, naast de algemene voorwaarde, ook een aantal bijzondere voorwaarden in zijn rapport geformuleerd, die zien op coaching, begeleiding en andere hulpverlening door of via de jeugdreclassering. In het kader van de bijzondere schorsingsvoorwaarden ontvangt verdachte momenteel al intensieve hulpverlening in de vorm van Multi Systeem Therapie (hierna: MST) om het recidiverisico te verkleinen. Er wordt gewerkt aan het verminderen van zijn impulsieve gedrag, het maken van verantwoorde vriendenkeuzes, het vergroten van zijn weerbaarheid en het ontwikkelen van sociale vaardigheden. Bij wijze van toezicht geldt momenteel onder meer een avondklok die wordt gecontroleerd door middel van een enkelband. De Raad zou het onverstandig vinden als deze vormen van toezicht ineens zouden wegvallen. Deze kunnen wel worden afgebouwd. In dit verband is ter zitting als aanvulling op de bijzondere voorwaarden bij een op te leggen straf geadviseerd dat verdachte dagelijks van 20.00 uur tot 07.00 uur op het adres van zijn moeder moet verblijven, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig acht, maar voor een maximale periode van zes maanden. Daarnaast wordt aanbevolen om de elektronische controle nog maximaal twee maanden voort te zetten, tot uiterlijk 4 maart 2026. Voorts wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van de aan een voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen toezicht, geadviseerd.
De medewerkster van de jeugdreclassering heeft op zitting hieraan toegevoegd dat verdachte na zijn schorsing een gemotiveerde en meewerkende houding heeft laten zien. Hij houdt zich aan de schorsingsvoorwaarden, gaat naar school en heeft tussentijds een stage afgerond. Verdachte is eenmalig de fout in gegaan, omdat hij met een medeverdachte had afgesproken. Dit is mede de reden dat zij de enkelband voor een korte periode nog noodzakelijk acht.
De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor minderjarigen en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Zij acht een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend, die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld, naast de algemene voorwaarde, de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden, inclusief de aanvulling omtrent de avondklok en de elektronische controle. Deze straf moet al een stevige stok achter de deur fungeren, in de hoop dat dit verdachte ervan weerhoudt weer de fout in te gaan. De voorwaarden zijn voor verdachte een kans om aan zichzelf te werken. Dit alles om te voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. Verder is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een werkstraf moet worden opgelegd, zodat hij ook op die manier de consequenties van zijn strafbare handelen ervaart.
De rechtbank komt op een lagere straf uit dan door de officier van justitie is gevorderd, gezien de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een jeugddetentie van 75 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, met daaraan verbonden de door de Raad geadviseerde voorwaarden. Daarnaast zal zij aan verdachte een werkstraf van 60 uur opleggen, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie in het geval dat verdachte deze werkstraf niet of onvoldoende uitvoert.
Nu de Raad spreekt van een hoog recidiverisico en er dus ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een of meer personen, wordt bevolen dat de gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.