ECLI:NL:RBZWB:2026:383

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
02-225925-25; 10-066620-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige verdachte voor voorbereiding woningoverval, bedreiging met vuurwapen en bezit van vuurwapen en munitie

Op 20 augustus 2025 heeft de minderjarige verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een woningoverval, bedreiging met een vuurwapen en het bezit van een vuurwapen en munitie. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 januari 2026 uitspraak gedaan in deze strafzaak. De verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie van 75 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is er een werkstraf van 60 uur opgelegd. De zaak is inhoudelijk behandeld op 12 januari 2026, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hebben gepresenteerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de tenlastelegging geldig is en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. De verdachte heeft de feiten bekend, maar heeft ook aangegeven dat hij onder druk is gezet om deze feiten te plegen. De rechtbank heeft de bekennende verklaring van de verdachte als bewijs gebruikt, maar heeft ook overwogen dat er aanwijzingen zijn dat hij niet alleen heeft gehandeld. De rechtbank heeft de verdachte als strafbaar verklaard en de opgelegde straf is in lijn met de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming, die een hoog recidiverisico heeft vastgesteld. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding van €800,-- aan de benadeelde partij toegewezen voor immateriële schade, maar de vordering voor materiële schade is niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de voorwaarden voor de voorwaardelijke straf en de jeugdreclassering vastgesteld, inclusief een avondklok en elektronisch toezicht.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-225925-25; 10-066620-25 (tul)
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
raadsvrouw mr. A. Koop-van Vliet, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is achter gesloten deuren op de zitting van 12 januari 2026 inhoudelijk behandeld, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:ter voorbereiding van een afpersing of diefstal met geweld een auto en een (vuur)wapen voorhanden heeft gehad;
feit 2:[benadeelde] met een (vuur)wapen heeft bedreigd;
feit 3:een (vuur)wapen voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, in het bijzonder gelet op zijn bekennende verklaring.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend. Ter zitting heeft hij aangegeven dat hij door een ander onder druk is gezet om feit 1 te plegen. Met betrekking tot hetzelfde feit benadrukt de raadsvrouw dat verdachte ook de schuld van anderen op zich heeft genomen. Zo zou het niet verdachte zijn geweest die de taxi heeft geregeld, waarmee hij en zijn vrienden van Rotterdam naar Breda zijn gereden.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte bekent de feiten 2 en 3 te hebben gepleegd.
Hoewel verdachte over feit 1 wisselende verklaringen heeft afgelegd, bekent hij in elke versie ook dit feit. Er zijn aanwijzingen dat verdachte dit feit niet alleen heeft gepleegd, maar samen met anderen, mogelijk samen met de andere inzittenden in de taxi. Die aanwijzingen zijn echter onvoldoende duidelijk en concreet om een bepaalde rolverdeling te kunnen herleiden. Bovendien is het bestanddeel ‘medeplegen’ niet ten laste gelegd. Zelfs als een ander de taxi heeft geregeld, dan kan weliswaar niet worden gesteld dat verdachte die auto heeft verworven, maar wel dat hij die voorhanden heeft gehad met als doel om voorbereidingen te treffen voor het plegen van dit feit.
Verdachte heeft pas op zitting verklaard dat hij onder druk is gezet om het horloge van aangever te gaan stelen. Een voor hem bekende persoon zou hem daartoe online hebben benaderd en hem opdracht hebben gegeven. Verdachte heeft deze versie van zijn verklaring verder niet onderbouwd, zoals door het overleggen van de betreffende online-berichten. Uit het dossier blijkt verder nergens dat er op enige manier druk op verdachte is uitgeoefend. Deze omstandigheid is daarmee onvoldoende duidelijk geworden. De rechtbank gaat daarom aan deze verklaring voorbij.
Op basis van de bewijsmiddelen, met name gelet op de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1:op 20 augustus 2025 te Bredater voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal met
geweld, opzettelijk
voorwerpen en vervoermiddelen, te weten
- een auto (geschikt om te vluchten en om de buit te vervoeren),
- een vuurwapen (geschikt om te dreigen en/of te verwonden)
bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
feit 2:op 20 augustus 2025 te Breda [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een vuurwapen op die [benadeelde] te richten;
feit 3:op 20 augustus 2025 te Breda
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een gaspistool, van het merk UMAREX, type Glock 17 GEN 5, kaliber 9
millimeter P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
munitie va
nde categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
(totaal) 16 stuks knalpatronen van het merk Pobjeda, kaliber 9 millimeter P.A.K.,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 135 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert hij de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), als ook de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. De officier van justitie stelt dat de voorwaarde over de avondklok moet worden aangepast, in die zin dat de avondklok (van 20.00 uur tot 07.00 uur) dient te gelden zolang de Jeugdreclassering dat nodig acht, maar voor maximaal zes maanden. Hij vordert dat de reeds bestaande elektrische monitoring tot uiterlijk 4 maart 2026 wordt gehandhaafd. Verder wordt door de officier van justitie een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur gevorderd, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie indien de werkstraf niet of niet goed wordt uitgevoerd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt in strafmatigende zin rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte feit 1 niet alleen heeft begaan. Verder refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft aangegeven dat hij zich wil houden aan alle door de Raad opgestelde bijzondere voorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich op 20 augustus 2025 schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een woningoverval, een bedreiging met een vuurwapen en het bezit van een vuurwapen en munitie. De rechtbank bestempelt dit gedrag van verdachte als zeer verwerpelijk.
Verdachte heeft zich samen met twee vrienden door een taxichauffeur van Rotterdam naar Breda laten rijden. Hij had in Breda een afspraak met aangever [benadeelde] , die via Marktplaats een Rolex horloge te koop had aangeboden. Verdachte had een pistool in zijn broeksband zitten om [benadeelde] eventueel af te schrikken of het te gebruiken in het geval dat hij zou worden beetgepakt of geslagen. Zijn plan was om snel het horloge te pakken/stelen en weg te rennen op het moment dat [benadeelde] de horloge aan verdachte zou laten zien. Het verliep anders, omdat [benadeelde] de situatie niet vertrouwde. Nadat [benadeelde] verdachte in zijn woning had binnen gelaten en hij vaststelde dat verdachte zich met een andere naam voorstelde dan [benadeelde] had verwacht, vroeg [benadeelde] hem naar zijn legitimatiebewijs. Verdachte antwoordde dat hij dit uit de auto moest pakken en liep vervolgens terug naar de taxi. [benadeelde] liep samen met een kennis, die toevallig bij hem op bezoek was en de situatie ook niet vertrouwde, achter verdachte aan. Hij zag toen dat verdachte niet alleen was, maar samen met drie andere mannen, en vroeg of zij hem wilden rippen. Verdachte trok daarop zijn wapen, laadde dat door en richtte dat op [benadeelde] . Vervolgens vluchtte hij samen met zijn vrienden in de taxi en reden terug naar Rotterdam .
Blijkens de aangifte en de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring is dit een heftige gebeurtenis geweest voor [benadeelde] . Toen verdachte het wapen op hem richtte, ging door zijn hoofd: “Als ik maar geen schot hoor”. [benadeelde] dacht daarbij aan alle ellendige gevolgen voor zijn gezin als verdachte werkelijk zou schieten. Het doorladen van het wapen maakte de bedreiging groter.
Als gevolg van deze gebeurtenis heeft [benadeelde] mentale klachten ondervonden, heeft hij gesprekken met een maatschappelijk werker gehad en is hij enkele weken niet in staat geweest om te werken. [benadeelde] mocht er op vertrouwen dat hij te maken had met een eerlijke koper die hij in zijn woning uitnodigde, zijnde een plek waar hij en zijn gezin zich bij uitstek veilig en beschermd moeten kunnen voelen. Maar [benadeelde] werd geconfronteerd met een malafide koper, die bij hem thuis aan tafel heeft gezeten, kennelijk toen al in het bezit van een vuurwapen was en hem daarmee korte tijd later heeft bedreigd.
Nu veel goederen particulier worden verhandeld via online platformen zoals Marktplaats, ervaart ook de samenleving dit soort misdrijven als schokkend en dragen ze bij aan gevoelens van onrust, argwaan en onveiligheid.
De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat verdachte met een wapen, waarvan hij dacht dat het een echt vuurwapen was, heeft rond gelopen. Hij deinsde er bovendien niet voor terug om dit wapen ook daadwerkelijk te gebruiken. Dat hij een wapen bij zich zou moeten dragen om zichzelf te kunnen beschermen, is een niet kloppende gedachtegang. Het dragen en het gebruik van een wapen heeft geen de-escalerend effect, maar vergroot juist de kans dat een conflict of andere situatie die als bedreigend, lastig of onzeker wordt ervaren enorm uit de hand kan lopen.
Verdachte heeft bij alle nadelige gevolgen van zijn handelen niet stil gestaan.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vorig jaar is veroordeeld voor diefstal en verboden wapenbezit. Er is dus sprake van recidive.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het advies van de Raad en de toelichting hierop op de zitting door de medewerkster van de Raad. Volgens de Raad is het risico op herhaling hoog. De Raad adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf. De Raad heeft ter zake van de voorwaardelijke straf, naast de algemene voorwaarde, ook een aantal bijzondere voorwaarden in zijn rapport geformuleerd, die zien op coaching, begeleiding en andere hulpverlening door of via de jeugdreclassering. In het kader van de bijzondere schorsingsvoorwaarden ontvangt verdachte momenteel al intensieve hulpverlening in de vorm van Multi Systeem Therapie (hierna: MST) om het recidiverisico te verkleinen. Er wordt gewerkt aan het verminderen van zijn impulsieve gedrag, het maken van verantwoorde vriendenkeuzes, het vergroten van zijn weerbaarheid en het ontwikkelen van sociale vaardigheden. Bij wijze van toezicht geldt momenteel onder meer een avondklok die wordt gecontroleerd door middel van een enkelband. De Raad zou het onverstandig vinden als deze vormen van toezicht ineens zouden wegvallen. Deze kunnen wel worden afgebouwd. In dit verband is ter zitting als aanvulling op de bijzondere voorwaarden bij een op te leggen straf geadviseerd dat verdachte dagelijks van 20.00 uur tot 07.00 uur op het adres van zijn moeder moet verblijven, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig acht, maar voor een maximale periode van zes maanden. Daarnaast wordt aanbevolen om de elektronische controle nog maximaal twee maanden voort te zetten, tot uiterlijk 4 maart 2026. Voorts wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van de aan een voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen toezicht, geadviseerd.
De medewerkster van de jeugdreclassering heeft op zitting hieraan toegevoegd dat verdachte na zijn schorsing een gemotiveerde en meewerkende houding heeft laten zien. Hij houdt zich aan de schorsingsvoorwaarden, gaat naar school en heeft tussentijds een stage afgerond. Verdachte is eenmalig de fout in gegaan, omdat hij met een medeverdachte had afgesproken. Dit is mede de reden dat zij de enkelband voor een korte periode nog noodzakelijk acht.
De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor minderjarigen en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Zij acht een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend, die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld, naast de algemene voorwaarde, de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden, inclusief de aanvulling omtrent de avondklok en de elektronische controle. Deze straf moet al een stevige stok achter de deur fungeren, in de hoop dat dit verdachte ervan weerhoudt weer de fout in te gaan. De voorwaarden zijn voor verdachte een kans om aan zichzelf te werken. Dit alles om te voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. Verder is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een werkstraf moet worden opgelegd, zodat hij ook op die manier de consequenties van zijn strafbare handelen ervaart.
De rechtbank komt op een lagere straf uit dan door de officier van justitie is gevorderd, gezien de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een jeugddetentie van 75 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, met daaraan verbonden de door de Raad geadviseerde voorwaarden. Daarnaast zal zij aan verdachte een werkstraf van 60 uur opleggen, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie in het geval dat verdachte deze werkstraf niet of onvoldoende uitvoert.
Nu de Raad spreekt van een hoog recidiverisico en er dus ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een of meer personen, wordt bevolen dat de gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 3.250,-- vermeerderd met de wettelijke rente voor feit 1 en 2. Voornoemd bedrag bestaat uit € 750,-- materiële schade en € 2.500,-- immateriële schade.
De materiële schade ziet op het navolgende. Omdat de benadeelde vanwege de geplande overval en de bedreiging zijn Rolex horloge niet meer via Marktplaats of Chrono24 durfde te verkopen, heeft hij het horloge aan een handelaar verkocht. Van die handelaar heeft hij een lager bedrag voor zijn horloge ontvangen, te weten € 12.750,--, dan het bedrag wat hij van een particuliere koper via een advertentiewebsite had kunnen krijgen, namelijk minimaal € 13.500,--. Het verschil tussen deze opbrengsten is als materiële schadepost opgevoerd. Voor de immateriële schade wordt verwezen naar de slachtofferverklaring die namens de benadeelde partij op de zitting is voorgelezen.
De verdediging heeft ten aanzien van de gevorderde materiële schade aangevoerd dat het moeilijk te bepalen is welk bedrag de benadeelde partij daadwerkelijk voor zijn horloge zou hebben ontvangen, als hij dit op Marktplaats of andere site te koop had aangeboden. Het zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren, als dit moet worden onderzocht.
Voor wat betreft de immateriële schade heeft zij opgemerkt dat de zaken uit de Smartengeldgids waarnaar door de benadeelde partij wordt verwezen andere situaties betreffen dan wat er in de onderhavige zaak is gebeurd. Zo is in deze zaak geen sprake van een bedreiging, waarbij ook de echtgenote en kinderen van de benadeelde aanwezig waren.
De verdediging verzoekt dan ook de gevorderde schade niet (geheel) toe te wijzen.
De officier van justitie acht de materiële schade onvoldoende onderbouwd, omdat niet kan worden vastgesteld dat de prijs waarvan de benadeelde partij is uitgegaan bij verkoop van het horloge via een website reëel is. Hij is het met de verdediging eens dat nader onderzoek naar deze schade zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Hij verzoekt daarom de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren.
Ondanks dat de zaken uit de Smartgeldgids waarnaar wordt gerefereerd afwijken van de casus in deze zaak, is de officier van justitie van mening dat het gevorderde bedrag van
€ 2.500,-- aan immateriële schade in zijn geheel kan worden toegewezen.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de gevorderde materiële schade zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, mede gelet op de gemotiveerde bezwaren van zowel de verdediging als de officier van justitie. De omvang van deze schade acht zij onvoldoende onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ook de rechtbank is ten aanzien van de immateriële schade van oordeel dat in deze zaak sprake is van een andere situatie dan in de zaken waarnaar door de advocaat van benadeelde is gerefereerd. Verdachte heeft een wapen gericht op de benadeelde, hetgeen ongetwijfeld angstig voor hem is geweest. Maar gezien de context, kan deze bedreiging niet geheel los worden gezien van het handelen van de benadeelde zelf. De benadeelde is immers samen met een ander verhaal gaan halen bij verdachte, omdat hij had gemerkt dat er iets niet in de haak was. Als reactie daarop gebruikte verdachte zijn wapen. Deze bedreiging heeft op straat plaats gevonden en niet in de directe nabijheid van de vrouw en kinderen van de benadeelde. Om die reden acht de rechtbank het schadebedrag dat is gevorderd niet geheel toewijsbaar. De immateriële schade wordt naar redelijkheid geschat op een bedrag van
€ 800,--.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige deel van de immateriële schade wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard. Dat deel kan eveneens bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werd gepleegd, te weten 20 augustus 2025.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de gijzeling bij niet-betaling op 0 dagen worden vastgesteld.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 20 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Dordrecht van 23 juni 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft verzocht de proeftijd te verlengen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in zijn proeftijd, al snel na de veroordeling van de kinderrechter, weer schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Daarom zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen of anders te beslissen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 46, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:voorbereiding van diefstal met geweldpleging;
feit 2:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 75 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal
melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken, waarbij aan de gecertificeerde
William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclasseringte [locatie 1] opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden. De minderjarige is daarbij verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
* dat verdachte zijn medewerking verleent aan coaching, begeleiding of andere hulpverlening die de
jeugdreclasseringnoodzakelijk acht, zolang dit nodig wordt bevonden;
* dat verdachte zijn medewerking verleent aan de hulpverlening vanuit
De Viersprongte [locatie 2] ;
* dat verdachte zich houdt aan de
avondklok, inhoudende dat hij van 20.00 uur tot 07.00 uur op het adres van zijn moeder verblijft aan [adres] , voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht, maar voor een maximale periode van zes maanden;
* dat verdachte zal meewerken aan (de voortzetting van) het elektronisch toezicht op de nakoming van de avondklok, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht, maar tot uiterlijk
4 maart 2026;
* dat verdachte
naar school zal gaanvolgens het rooster en zich zal houden aan de regels en afspraken van school;
* dat verdachte een
zinvolle vrije tijdsbestedingheeft in de vorm van sport en een bijbaan;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen jeugdreclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
30 dagen;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1 en 2:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde]van
€ 800,--aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde],
€ 800,--te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
20 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 23 juni 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 10-066620-25
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
een werkstraf van 20 uren;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. van Triest, voorzitter, en mr. T.M. Brouwer, beide kinderrechters en mr. R.T. Poort, in tegenwoordigheid van mr. D.A.C.M. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 januari 2026.
Mrs. Van Triest en Poort en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.