4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
[aangever 1] heeft aangifte gedaan van een inbraak in de woning van zijn ouders aan [adres 1] in de nacht van zondag 21 september 2025. Ter plaatse bleek in de keuken een ladder tegen een ingeslagen raam te staan. In de achtertuin stonden twee tuinstoelen tegen de schutting en het doek van de poort was kapot. In de woning lagen spullen op de grond, stonden kasten en lades open, en was de alarminstallatie van de muur getrokken. Aangeefster [aangever 2] heeft een lijst met weggenomen spullen aan de politie toegezonden.
Er is een forensisch onderzoek ingesteld naar deze inbraak. Bij dit onderzoek is ter hoogte van de deurklink van het kantoor een bloedspoor aangetroffen en veiliggesteld. Gelet op de hierboven genoemde bevindingen, is de rechtbank van oordeel dat de het bloedspoor dient te worden aangemerkt als een daderspoor.
Van het bloedspoor kon een DNA-profiel worden opgemaakt, dat is vergeleken met opgeslagen DNA-profielen in buitenlandse databanken. Zowel Denemarken als Litouwen hebben bericht dat het aangetroffen DNA-profiel matchte met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA van een ander afkomstig is dan van verdachte is kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het DNA van verdachte afkomstig is. Verdachte heeft verklaard dat de aanwezigheid van zijn DNA kan worden verklaard doordat een kennis van het boksen zijn bloed heeft verzameld en in deze woning heeft laten neerleggen, om verdachte terug te pakken na een onderling geschil. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig en onverifieerbaar. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld, maar niet alleen, niet kunnen uitleggen volgens welke logica de betreffende kennis, die hij alleen bij voornaam kan noemen, het opgedroogde bloed van verdachte van een zakdoekje maanden later vanuit Litouwen zou kunnen hebben verplaatst c.q. hebben kunnen laten verplaatsen naar de woning van [aangever 2] . Het door verdachte geschetste scenario komt de rechtbank niet realistisch voor. Er zijn geen aanknopingspunten voor dat een ander het DNA van verdachte heeft gedeponeerd. Gelet op de braaksporen, de weggenomen goederen, de locatie van het aangetroffen bloedspoor (daderspoor), de match met het DNA-profiel en de bewijskracht daarvan concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een ruit van de woning van [aangever 2] heeft ingeslagen. Hij heeft zich op die wijze de goederen onder zijn bereik gebracht, hetgeen de rechtbank kwalificeert als braak. De rechtbank acht de diefstal door middel van braak dan ook bewezen.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Feit 2
[aangever 3] heeft aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan [adres 2] in de nacht van 9 oktober 2025, waarbij sieraden, contant geld en een kluis met documenten zijn weggenomen. Aangeefster heeft verklaard dat zij die nacht op 05.07 uur een alarmmelding kreeg op haar telefoon, dat zij op 11 oktober 2025 ter plaatse was en dat zij zag dat de ruit van de balkondeur van de slaapkamer verbroken was en dat de deur open stond, dat er kasten en lades open stonden en de inhoud op de vloer lag. Daarnaast verklaart aangeefster dat de daders een trap uit de schuur hebben gepakt en het balkon zijn opgeklommen.
Op 12 oktober 2025 is een kluis aangetroffen in het [park] in [plaats 2] . De kluis werd herkend als de kluis die was weggenomen bij de woninginbraak aan [adres 2] . Bij onderzoek aan de kluis is bloed aan de zijkant aangetroffen en veiliggesteld. Hoewel de kluis buiten de woning van [aangever 3] is aangetroffen, blijkt uit de bewijsmiddelen dat de kluis is weggenomen uit deze woning en kort na de woninginbraak in de nabijheid van de woning is aangetroffen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bloedspoor dient te worden aangemerkt als een daderspoor. Het DNA-profiel komt overeen met dat van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het DNA in het bloedspoor van verdachte afkomstig is.
Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen, schuift de rechtbank de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van zijn DNA als ongeloofwaardig en onverifieerbaar terzijde. De rechtbank concludeert dat het verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een ruit van de balkondeur van de slaapkamer van aangeefster heeft ingeslagen. Hij heeft zich op die wijze de goederen onder zijn bereik gebracht, hetgeen de rechtbank kwalificeert als braak. De rechtbank acht de diefstal door middel van braak dan ook bewezen.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Feit 3
[aangever 4] heeft aangifte gedaan van een inbraak in zijn woning aan [adres 3] tussen 13 en 17 oktober 2025. Aangever heeft verklaard dat hij op 17 oktober 2025 omstreeks 21.00 uur thuis kwam en zag dat er glas op de grond lag, dat de ruit naast de tuintafel kapot was en dat er stukken op het kozijn beschadigd waren. Nadat aangever samen met de politie naar binnen was gegaan, zag hij dat alles op de begane grond overhoop was gehaald en dat kasten en lades open stonden.
Er is een forensisch onderzoek ingesteld naar deze inbraak. Bij dit onderzoek zijn op het kozijn van het vernielde draairaam bloedsporen aangetroffen en veiliggesteld. Gelet op de hierboven genoemde bevindingen, is de rechtbank van oordeel dat het bloedspoor dient te worden aangemerkt als een daderspoor. Het DNA-profiel komt overeen met dat van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het DNA in het bloedspoor van verdachte afkomstig is.
Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen, schuift de rechtbank de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van zijn DNA als ongeloofwaardig en onverifieerbaar terzijde.
Gelet op de braaksporen, de locatie van het aangetroffen bloedsporen, de match met het DNA-profiel en de bewijskracht daarvan concludeert de rechtbank dat dat het verdachte is geweest die de poging tot inbraak heeft gepleegd.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de ruit van een draairaam in de rechterzijgevel van de woning van aangever heeft ingeslagen. Hij heeft zich op die wijze de goederen onder zijn bereik gebracht, hetgeen de rechtbank kwalificeert als braak. Omdat aangever heeft verklaard dat er vermoedelijk geen goederen zijn weggenomen, acht de rechtbank de poging tot diefstal met braak wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
[aangever 5] heeft aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan [adres 4] . Aangeefster heeft verklaard dat zij op 18 oktober 2025 werd gebeld door haar buurman vanwege een openstaand badkamerraam en tuinhekje, dat zij van haar buurman hoorde dat een ruit aan de achterzijde van de woning was ingegooid, dat zij omstreeks 10.00 uur ter plaatse was en aldaar constateerde dat een rond bakje met muntgeld ter waarde van € 150,- en een zilverkleurige kinderarmband zijn weggenomen.
Er is een forensisch onderzoek ingesteld naar deze inbraak. Bij dit onderzoek is op een sierkei huidepitheel aangetroffen en veiliggesteld. Gelet op de hierboven genoemde bevindingen, is de rechtbank van oordeel dat het huidepitheel aangetroffen op de sierkei in de keuken waarmee de ruit was ingegooid, dient te worden aangemerkt als een daderspoor. Het DNA-profiel komt overeen met dat van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het DNA in het huidepitheel van verdachte afkomstig is.
Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen, schuift de rechtbank de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van zijn DNA als ongeloofwaardig en onverifieerbaar terzijde.
Gelet op de braaksporen, de weggenomen goederen, de locatie van het aangetroffen huidepitheel, de match met het DNA-profiel en de bewijskracht daarvan concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een ruit aan de achterzijde van de woning van aangeefster heeft ingegooid. Hij heeft zich op die wijze de goederen onder zijn bereik gebracht t, hetgeen de rechtbank kwalificeert als braak.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Nadere overweging verweer
Voor zover de rechtbank het verweer van de verdediging moet begrijpen als een voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek om de volledige bewijsketen bloot te leggen en volledige inzage in de bewijsstukken te verkrijgen, zal de rechtbank dit verzoek passeren als onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst ten overvloede daarvoor naar de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen, zoals die in bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht en die komen uit het ook voor de verdediging beschikbare dossier.