ECLI:NL:RBZWB:2026:3872

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/02/434719 / HA ZA 25-259 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Danschutter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 7:758 lid 1 BWArt. 7:759 lid 1 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen en meerwerk bij aanneming van werk afgewezen tegenvordering wegens tekortkomingen

DMM Montage & Elektrotechniek B.V. sloot twee aannemingsovereenkomsten met Bouwbedrijf Rijk voor het plaatsen en afmonteren van woonunits. Na faillissement van DMM vordert de curator betaling van openstaande facturen, waaronder meerwerk. Bouwbedrijf Rijk betwist betaling en stelt een verrekenbare tegenvordering wegens tekortkomingen in uitvoering.

De rechtbank oordeelt dat het werk stilzwijgend is opgeleverd omdat Bouwbedrijf Rijk niet tijdig heeft gekeurd of geweigerd onder voorbehoud. De curator heeft voldoende onderbouwd dat een deel van het meerwerk is geaccordeerd, waardoor Bouwbedrijf Rijk een bedrag van bijna €79.000 verschuldigd is. De tegenvordering van Bouwbedrijf Rijk wegens vermeende tekortkomingen wordt afgewezen omdat zij onvoldoende heeft gespecificeerd en geen herstelkans heeft geboden.

De vordering van Bouwbedrijf Rijk in reconventie wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij deze niet ter verificatie bij de curator heeft ingediend zoals vereist bij faillissement. Bouwbedrijf Rijk wordt veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, terwijl zij zelf de proceskosten moet dragen.

Uitkomst: Bouwbedrijf Rijk wordt veroordeeld tot betaling van €78.992,88 plus rente en kosten, terwijl haar tegenvordering wordt afgewezen en niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/434719 / HA ZA 25-259
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[curator] Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van DMM Montage & Elektrotechniek B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna ook te noemen: de Curator,
advocaat: mr. J.R. Deltour,
tegen
BOUWBEDRIJF RIJK B.V.,
te Heinkenszand,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna ook te noemen: Bouwbedrijf Rijk,
advocaat: mr. E.P.E. Fluit (voorheen: mr. A.J.K. Fluit).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;
- het tussenvonnis van 17 september 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
DMM Montage & Elektrotechniek B.V. (hierna: DMM) heeft als onderaannemer op 18 juli 2024 een eerste overeenkomst gesloten met hoofdaannemer Bouwbedrijf Rijk voor het plaatsen en afmonteren van 112 woonunits en galerijen ten behoeve van het project genaamd ‘ [project 1] ’. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Bouwbedrijf Rijk van toepassing verklaard. De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 117.000,00 exclusief btw. Uit de overeenkomst volgt dat de werkzaamheden op 27 augustus 2024 dienden aan te vangen.
2.2.
In de overeenkomst staat dat facturatie plaatsvindt volgens het daar genoemde termijnschema:
termijn 01: 25% bij opdracht,
termijn 02: 50% bij aanvang werk,
termijn 03: 25% bij oplevering.
2.3.
Verder is tussen DMM en Bouwbedrijf Rijk afgesproken dat facturering plaatsvindt op basis van door de uitvoerder van Bouwbedrijf Rijk geaccordeerde bonnen en dat eventueel meerwerk alleen op basis van een schriftelijke opdracht mag worden uitgevoerd. In artikel 6.4 van de algemene voorwaarden staat:
“Uitbreiding van de Prestatie van Opdrachtnemer, zoals bij meer- en minderwerk, lijdt slechts tot uitbreiding van de door Opdrachtgever verschuldigde tegenprestatie, indien de tegenprestatie vooraf schriftelijk is overeengekomen. Extra werkzaamheden of leveringen die voor vervulling van de Prestatie noodzakelijk zijn en waar Opdrachtnemer redelijkerwijs rekening mee had moeten houden, vormen geen aanleiding tot wijziging van de tegenprestatie.”
2.4.
Op 6 september 2024 sloten partijen met elkaar een tweede, zelfde soort, overeenkomst voor het plaatsen en afmonteren van 94 woonunits en galerijen ten behoeve van het project ‘ [project 2] ’. De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 94.435,00 exclusief btw. Uit de overeenkomst volgt dat de werkzaamheden op 12 september 2024 dienden aan te vangen. De overeenkomst is voor het overige inhoudelijk gelijk aan de eerste overeenkomst.
2.5.
Van beide projecten heeft Bouwbedrijf Rijk de eerste en tweede termijn voldaan. De laatste termijnen van 25% bij oplevering zijn niet voldaan. DMM heeft ook facturen voor meerwerk verstuurd aan Bouwbedrijf Rijk en ook deze facturen heeft Bouwbedrijf Rijk niet betaald. Het gaat om de volgende facturen:
Factuurnummer
Factuurdatum
Factuurbedrag
Omschrijving inhoud
[factuurnummer 1]
27 september 2024
€ 3.970,03
Extra geleverde materialen
[factuurnummer 2]
4 oktober 2024
€ 29.250,00
25% bij oplevering Enschede
[factuurnummer 3]
30 oktober 2024
€ 24.358,75
25% bij oplevering Eindhoven
[factuurnummer 4]
13 november 2024
€ 27.235,65
Extra uren laden/lossen, overnachtingen, kruizen, materiaal.
[factuurnummer 5]
13 november 2024
€ 3.373,48
Aanbrengen kruizen Eindhoven.
24200577
13 november 2024
€ 23.049,00
Extra uren personeel laden en lossen, reiskosten en reisuren, kruizen
2.6.
DMM is op 19 november 2024 failliet verklaard, waarbij mr. [curator] als curator is aangesteld.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De Curator vordert - samengevat - betaling van een bedrag van € 111.236,91 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen. Ook vordert de Curator betaling van € 1.887,37 wegens buitengerechtelijke kosten en veroordeling van Bouwbedrijf Rijk in de proceskosten.
3.2.
De Curator legt aan de vordering ten grondslag dat Bouwbedrijf Rijk de openstaande facturen ten onrechte niet betaalt. Een tweetal facturen betreffen de laatste termijnen die bij oplevering moeten worden voldaan. Er heeft geen formele oplevering plaatsgevonden, maar Bouwbedrijf Rijk heeft ten onrechte niet meegewerkt aan oplevering en verkeert daarom in schuldeisersverzuim. De overige facturen betreffen meerwerk. Dit meerwerk is geaccordeerd door Bouwbedrijf Rijk.
3.3.
Bouwbedrijf Rijk voert verweer. Bouwbedrijf Rijk concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de Curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Curator in de kosten van deze procedure. Bouwbedrijf Rijk betwist dat zij betaling is verschuldigd aan de Curator. Bouwbedrijf Rijk stelt dat zij schade heeft geleden, omdat DMM is tekortgeschoten in de uitvoering van de werkzaamheden. Daarom heeft Bouwbedrijf Rijk oplevering geweigerd. Het uitgevoerde werk was ondeugdelijk en onvolledig, dat blijkt ook uit diverse deskundigenrapporten. Voor het meerwerk geldt dat Bouwbedrijf Rijk daarop nooit akkoord heeft gegeven, terwijl voorafgaande schriftelijke opdracht wel vereist is op grond van de algemene voorwaarden. Bouwbedrijf Rijk verklaart haar vordering te willen verrekenen met de vordering van de Curator.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Bouwbedrijf Rijk vordert - samengevat – een verklaring voor recht dat DMM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Daarnaast vordert Bouwbedrijf Rijk betaling van een schadevergoeding van € 180.920,48, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot vordert zij een veroordeling van de Curator in de proceskosten.
3.6.
Bouwbedrijf Rijk stelt dat DMM is tekortgeschoten, omdat zij onvoldoende personeel heeft ingezet als gevolg waarvan het werk is vertraagd. Dit heeft extra kosten met zich gebracht voor Bouwbedrijf Rijk. DMM heeft erkend dat deze kosten moesten worden verrekend. Daarnaast heeft DMM het werk gebrekkig uitgevoerd. Bouwbedrijf Rijk wijst daarbij op de ondeugdelijke plaatsing van de zogeheten Willemsankers. Deze zijn essentieel voor de verankering van de woonunits en daarmee de stabiliteit van de hele constructie. Omdat dit directe veiligheidsrisico’s met zich bracht en afkeuring door de opdrachtgever van Bouwbedrijf Rijk dreigde, heeft Bouwbedrijf Rijk met spoed zelf maatregelen getroffen. De schade die Bouwbedrijf Rijk als gevolg hiervan heeft geleden, moet voor rekening van de Curator komen. Daarnaast vordert Bouwbedrijf Rijk een contractuele boete op grond van artikel 7 leden Pro 5 en 7 van haar algemene voorwaarden.
3.7.
De Curator voert verweer. De Curator concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Bouwbedrijf Rijk, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Bouwbedrijf Rijk, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Bouwbedrijf Rijk in de kosten van deze procedure. De Curator voert aan dat Bouwbedrijf Rijk haar vordering sinds de faillietverklaring uitsluitend op grond van artikel 26 Fw Pro juncto artikel 110 Fw Pro ter verificatie kan indienen en dat Bouwbedrijf Rijk dat niet heeft gedaan. Inhoudelijk betwist de Curator dat DMM is tekortgeschoten. Er was geen personeelstekort; de oorzaak van de vertraging kwam doordat de vergunning later werd verleend, waarvoor Bouwbedrijf Rijk verantwoordelijk was. Ook heeft DMM extra werkzaamheden verricht. DMM is nooit akkoord gegaan met verrekening. Voor wat betreft de Willemsankers voert de Curator aan dat dit meerwerk betrof, waarvoor DMM enkel personeel heeft geleverd en het werk onder toezicht van Bouwbedrijf Rijk heeft uitgevoerd. Verder voert de Curator aan dat DMM nooit is gewezen op tekortkomingen; de rapporten zijn bij haar niet bekend. DMM noch de curator is in gebreke gesteld en derhalve is geen sprake van verzuim.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering in reconventie hangt samen met de conventie, in het bijzonder met het verweer van Bouwbedrijf Rijk dat zij een verrekenbare tegenvordering heeft op de Curator. De rechtbank zal dit verweer en de daarbij behorende stellingen van partijen in het kader van de conventie behandelen en daarna voor het overige de vordering in reconventie beoordelen.
in conventie
4.2.
De Curator vordert nakoming van de overeenkomsten die partijen met elkaar hebben gesloten. De overeenkomsten betreffen overeenkomsten van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 e.v. BW. De rechtbank moet beoordelen of de Curator recht heeft op betaling van de door hem gevorderde facturen.
Bouwbedrijf Rijk is de oplevertermijnen verschuldigd
4.3.
Partijen zijn met elkaar een vaste aanneemsom overeengekomen en spraken betaling af volgens een termijnschema. De laatste termijn van 25% diende bij oplevering te worden voldaan. Voor het project Enschede betreft het de factuur met factuurdatum 4 oktober 2024 ter hoogte van € 29.250,00. Voor het project Eindhoven gaat het om de factuur met factuurdatum 30 oktober 2024 ter hoogte van € 24.358,75.
4.4.
Tussen partijen is in geschil of de projecten zijn opgeleverd en daarmee of de termijnen zijn verschuldigd. Artikel 7:758 lid 1 BW Pro bepaalt dat: “
indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd.”Bouwbedrijf Rijk heeft tijdens de zitting erkend dat DMM heeft gevraagd om oplevering voor het project Enschede. Voor het project Eindhoven is dit volgens Bouwbedrijf Rijk niet gevraagd, maar ter zitting heeft Bouwbedrijf Rijk erkend dat op 30 oktober 2024 een opname is gedaan in Eindhoven en dat DMM zogenoemde ‘vooropleverpunten’ die daaruit naar voren kwamen op 1 november 2024 zou komen oplossen. Dat is volgens Bouwbedrijf Rijk niet gebeurd. Daarnaast heeft Bouwbedrijf Rijk toegelicht dat zij het project in één keer opleveren aan de hoofdopdrachtgever en dat er geen deelopleveringen worden gedaan.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat DMM voor beide projecten om oplevering heeft verzocht. DMM heeft per e-mail verzocht om oplevering en er zijn vooropleverpunten besproken. Ook blijkt uit de verzonden eindfacturen dat DMM te kennen heeft gegeven dat het werk klaar was. Bouwbedrijf Rijk heeft niet onderbouwd dat bekend is bij DMM dat er geen deelopleveringen zouden plaatsvinden. Deze werkwijze blijkt niet uit de overeenkomsten. Ook heeft Bouwbedrijf Rijk haar stelling dat zij DMM heeft laten weten dat zij oplevering weigert niet onderbouwd. De door Bouwbedrijf Rijk overgelegde rapporten van deskundigen waren bij DMM niet bekend en de daarin genoemde gebreken zijn niet kenbaar gemaakt aan DMM. Daarmee staat vast dat Bouwbedrijf Rijk het werk van DMM niet heeft gekeurd of heeft aanvaard onder voorbehoud dan wel heeft geweigerd onder aanwijzing van de gebreken. Bovendien zijn de projecten op enig moment aan de hoofdopdrachtgever opgeleverd en in gebruik genomen. De rechtbank gaat daarmee uit van een stilzwijgende aanvaarding van het werk. Vanwege deze stilzwijgende aanvaarding geldt het werk van DMM als opgeleverd.
4.6.
Omdat het werk als opgeleverd heeft te gelden, is Bouwbedrijf Rijk de oplevertermijnen verschuldigd.
Bouwbedrijf Rijk is een deel van de gevorderde meerwerkfacturen verschuldigd
4.7.
De Curator vordert een viertal facturen aan meerwerk. De Curator heeft gesteld dat het extra werkzaamheden betreft, waarop door Bouwbedrijf Rijk akkoord is gegeven op urenoverzichten en meerwerkbonnen. Bouwbedrijf Rijk heeft niet betwist dat DMM meerwerk heeft verricht. Bouwbedrijf Rijk betwist wel dat het meerwerk vooraf schriftelijk is overeengekomen en is geaccordeerd, met uitzondering van het meerwerk dat ziet op de zogeheten Willemsankers. De rechtbank heeft ter zitting begrepen dat de Willemsankers onderdeel zijn van wat op de offertes en facturen staat als (het plaatsen van) kruizen.
4.8.
Het is aan de Curator om voldoende onderbouwd feiten te stellen – en bij betwisting te bewijzen – dat de werkzaamheden genoemd in de facturen meerwerk betreffen en dat voor die werkzaamheden opdracht is verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat de Curator daarin ten dele is geslaagd.
4.9.
Van de factuur met nummer [factuurnummer 4] is door de Curator een voor akkoord getekende meerwerkbon overgelegd. Bouwbedrijf Rijk heeft dit meerwerk deels erkend en heeft ook deels erkend dat zij akkoord was met de meerwerkopgave. Bouwbedrijf Rijk wijst er echter terecht op dat de factuur afwijkt van de meerwerkbon: op de bon staat een post van € 3.850,00 aan overnachtingen, terwijl op de factuur een aanvullende post overnachtingen is opgenomen van € 5.225,00. De Curator heeft niet toegelicht waarom de bon en factuur niet gelijk zijn aan elkaar. De rechtbank zal de betaling van deze factuur derhalve toewijzen voor een bedrag van € 22.010.65 (€ 27.235,65 minus € 5.225,00).
4.10.
De factuur met nummer [factuurnummer 5] ter hoogte van € 3.373,48 is gebaseerd op de offerte die door de Curator is overgelegd en betreft het aanbrengen van kruizen. Die offerte is geaccordeerd door Bouwbedrijf Rijk. Van dit meerwerk heeft Bouwbedrijf Rijk ook erkend dat dit is afgesproken. Bouwbedrijf Rijk is derhalve betaling van deze factuur verschuldigd.
4.11.
De factuur met het nummer [factuurnummer 1] ziet op extra geleverde materialen. De Curator heeft geen feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat dit meerwerk betreft alsook dat Bouwbedrijf Rijk hiermee akkoord was. Hetzelfde geldt voor de factuur met het nummer 24200577. Uit de omschrijving blijkt dat het gaat om extra uren personeel voor laden en lossen, extra reiskosten, reisuren en kruizen. Welke werkzaamheden precies zijn verricht, is niet gesteld. Verder heeft de Curator onvoldoende onderbouwd dat Bouwbedrijf Rijk akkoord was met deze werkzaamheden; ook is geen geaccordeerde meerwerkbon overgelegd.
4.12.
Resumerend betekent het voorgaande dat de rechtbank van oordeel is dat Bouwbedrijf Rijk een bedrag van € 25.384,13 is verschuldigd aan meerwerk.
Tussenconclusie
4.13.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Bouwbedrijf Rijk in totaal nog een bedrag van € 78.992,88 is verschuldigd aan de Curator.
Bouwbedrijf Rijk heeft geen verrekenbare tegenvordering op de Curator
4.14.
De vervolgvraag is of Bouwbedrijf Rijk een tegenvordering op de Curator heeft, die zij met het verschuldigde bedrag kan verrekenen.
4.15.
Bouwbedrijf Rijk stelt zich op het standpunt dat de Curator toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomsten. Bouwbedrijf Rijk noemt een tweetal tekortkomingen: stagnatie in het werk door het inzetten van onvoldoende personeel en het uitvoeren van gebrekkig werk door ondeugdelijke plaatsing van Willemsankers. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat overige gebreken niet zijn gesteld. Waar Bouwbedrijf Rijk meent dat uit de rapporten meerdere gebreken te destilleren zijn, wijst de rechtbank erop dat het aan Bouwbedrijf Rijk is om te specificeren ter toelichting of staving van welke stelling die rapporten zijn bedoeld en welk (onder)deel van die rapporten daartoe van belang is (artikel 22b Rv). Het had derhalve op de weg van Bouwbedrijf Rijk gelegen om concreet te benoemen welke gebreken er volgens haar zijn en waaruit dit blijkt.
4.16.
De rechtbank is van oordeel dat niet vaststaat dat de uitvoering van het werk vertraging heeft opgelopen doordat DMM onvoldoende personeel heeft ingezet. Tijdens de zitting is door beide partijen aangegeven dat geen datum is afgesproken waarop de werkzaamheden van DMM gereed moesten zijn. Er was wel een opleverdatum voor het gehele project. DMM voerde slechts onderdelen van het gehele project uit en haar werkzaamheden moesten eerder klaar zijn dan de opleverdatum voor het gehele project, maar partijen hebben geen harde opleverdatum afgesproken. Daarnaast was bij beide partijen een planning bekend, die een aantal keren is aangepast. Voorts heeft de Curator gemotiveerd betwist dat vertraging aan DDM te wijten was. Het is niet komen vast te staan dat gedurende het project duidelijk was dat DMM vanwege onderbezetting de planning niet zou halen en daarmee is de noodzaak van inzet van extra personeel door Bouwbedrijf Rijk ook niet komen vast te staan. Bovendien heeft de Curator gemotiveerd betwist dat DMM akkoord is gegaan met de inzet van eigen personeel van Bouwbedrijf Rijk en dat deze kosten mochten worden verrekend. Uit de overgelegde e-mails blijkt niet van een dergelijke toezegging van DMM.
4.17.
Ten overvloede oordeelt de rechtbank dat de schade die Bouwbedrijf Rijk als gevolg van stagnatie stelt te hebben geleden, niet is komen vast te staan. Bouwbedrijf Rijk stelt dat haar schade € 79.411,00 bedraagt. Bouwbedrijf Rijk onderbouwt dit bedrag door te verwijzen naar een kostenoverzicht. In dit overzicht zijn onder de noemer ‘herstel montage units en galerijen’ kosten opgenomen voor bij elkaar het genoemde bedrag. Daaruit kan niet worden afgeleid welk bedrag samenhangt met stagnatie en de inzet van extra personeel als gevolg hiervan. Daarbij komt dat Bouwbedrijf Rijk ter zitting heeft toegelicht dat het genoemde bedrag slechts ziet op kosten voor herstel en dat stagnatiekosten daarvan geen onderdeel zijn. De rechtbank is derhalve van oordeel dat Bouwbedrijf Rijk onvoldoende heeft gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van stagnatie en hoe hoog die schade is.
4.18.
De tweede gestelde tekortkoming betreft de uitvoering van gebrekkig werk door ondeugdelijke plaatsing van Willemsankers. Bouwbedrijf Rijk heeft ter zitting toegelicht dat de oplevering aan de hoofdopdrachtgever heeft plaatsgevonden op 8 november 2024. Daarbij waren de onderaannemers, en dus ook DMM, niet aanwezig. Na dat moment van oplevering heeft Bouwbedrijf Rijk DMM (respectievelijk de Curator) geen gelegenheid gegeven de bij de oplevering geconstateerde gebreken te herstellen. Dit had Bouwbedrijf Rijk wel moeten doen, zo volgt uit artikel 7:759 lid 1 BW Pro. Dat artikel bepaalt:
“Indien het werk na oplevering gebreken vertoont waarvoor de aannemer aansprakelijk is, moet de opdrachtgever, tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd, aan de aannemer de gelegenheid geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen, onverminderd de aansprakelijkheid van de aannemer voor schade ten gevolge van de gebrekkige oplevering.”Dat er dusdanige veiligheidsrisico’s zouden zijn waardoor Bouwbedrijf Rijk met spoed maatregelen moest treffen, is niet onderbouwd. Niet is gebleken dat DMM niet of niet binnen een redelijke termijn nog werkzaamheden zou kunnen uitvoeren.
4.19.
De stelling van Bouwbedrijf Rijk dat DMM op grond van artikel 3 lid 4 van Pro de algemene voorwaarden direct in verzuim verkeerde, passeert de rechtbank. Die bepaling gaat immers over het niet voldoen aan planningsafspraken en heeft geen betrekking op gebreken in het werk. Om tot herstel te kunnen overgaan, moet een aannemer er wel van op de hoogte worden gesteld dat de opdrachtgever meent dat er gebreken zijn die moeten worden hersteld. Dat is niet gebeurd.
4.20.
De rechtbank laat derhalve in het midden of DMM het werk aan de Willemsankers ondeugdelijk heeft uitgevoerd. De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding af, omdat DMM niet in de gelegenheid is gesteld herstelwerkzaamheden uit te voeren en ook niet in gebreke is gesteld.
Bouwbedrijf Rijk heeft geen recht op de contractuele boete
4.21.
Bouwbedrijf Rijk vordert een boete gelijk aan 5% van de overeengekomen prijs. Uit de algemene voorwaarden volgt dat deze boete is verschuldigd als de overeenkomst wordt ontbonden als gevolg van (onder meer) faillissement. Ontbinding dient schriftelijk te gebeuren. Bouwbedrijf Rijk heeft niet gesteld dat zij de overeenkomst tussen partijen daadwerkelijk heeft ontbonden; er is ook geen schriftelijke verklaring overgelegd. Dit betekent dat Bouwbedrijf Rijk geen aanspraak kan maken op deze boete en de rechtbank de vordering van Bouwbedrijf Rijk op dit punt zal afwijzen.
Conclusie
4.22.
Uit het voorgaande volgt dat Bouwbedrijf Rijk geen verrekenbare vordering heeft op de Curator.
Bouwbedrijf Rijk moet de buitengerechtelijke kosten vergoeden
4.23.
De Curator vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal een bedrag van € 1.564,93 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Bouwbedrijf Rijk moet de proceskosten vergoeden
4.24.
Bouwbedrijf Rijk is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Curator worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.095,35
4.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.26.
De rechtbank heeft in het kader van het beroep op verrekening de tegenvordering van Bouwbedrijf Rijk inhoudelijk beoordeeld. Daaruit is gebleken dat Bouwbedrijf Rijk geen vordering op de Curator heeft. De rechtbank moet echter in reconventie de vordering van Bouwbedrijf Rijk niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank overweegt dat de Curator terecht aanvoert dat uit artikel 26 Fw Pro volgt dat rechtsvorderingen tegen de gefailleerde, die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, tijdens het faillissement alleen kunnen worden ingediend op de wijze die in artikel 110 Fw Pro is bepaald. Artikel 110 Fw Pro bepaalt dat een vordering ter verificatie bij de curator moet worden ingediend. Uit de daarbij overgelegde stukken moeten de aard, het bedrag en het karakter van de vordering voldoende blijken. Artikel 110 Fw Pro biedt geen mogelijkheid tot het indienen van een vordering in rechte. Bouwbedrijf Rijk moet daarom in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Bouwbedrijf Rijk moet de proceskosten vergoeden
4.27.
Bouwbedrijf Rijk is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Vanwege de verbondenheid van de vorderingen in conventie en reconventie zal voor de reconventie één punt worden toegerekend tegen een factor 0,5. De proceskosten van de Curator worden vastgesteld op:
- salaris advocaat
1.025,50
(1 punt × factor 0,5 × € 2.051,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.173,50
4.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt Bouwbedrijf Rijk om aan de Curator te betalen een bedrag van € 78.992,88, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Bouwbedrijf Rijk om aan de Curator te betalen een bedrag van € 1.564,93 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Bouwbedrijf Rijk in de proceskosten van € 7.095,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
verklaart Bouwbedrijf Rijk niet-ontvankelijk in haar vordering,
5.6.
veroordeelt Bouwbedrijf Rijk in de proceskosten van € 1.173,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.7.
veroordeelt Bouwbedrijf Rijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als Bouwbedrijf Rijk niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
veroordeelt Bouwbedrijf Rijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3, 5.6, 5.7 en 5.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Danschutter en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.