ECLI:NL:RBZWB:2026:39

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
02-346103-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over verlenging van de gevangenhouding in een ernstige strafzaak met risico op maatschappelijke onrust

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in Middelburg een beslissing genomen over de verlenging van de gevangenhouding van een verdachte, die wordt verdacht van poging tot moord. De verdachte, geboren in 1995, is momenteel gedetineerd en heeft een raadsvrouw, mr. C. Willekes. De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, de verdachte en de raadsvrouw gehoord. De officier van justitie heeft een verlenging van de gevangenhouding gevorderd voor 83 dagen, terwijl de verdediging de ernstige bezwaren en de gronden voor voorlopige hechtenis heeft betwist en een verzoek tot schorsing heeft gedaan.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de ernstige bezwaren tegen de verdachte, die voortkomen uit getuigenverklaringen en het feit dat de verdachte het slachtoffer heeft gestoken, nog steeds bestaan. De rechtbank overweegt dat de vrijlating van de verdachte tot maatschappelijke onrust kan leiden, gezien de ernst van het feit en de publieke reactie daarop. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een ernstig geschokte rechtsorde, wat een belangrijke reden is voor de verlenging van de gevangenhouding.

De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af, omdat het strafvorderlijk belang zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van de verdachte. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangetoond die schorsing rechtvaardigen. De rechtbank verzoekt de officier van justitie om de reclassering te laten onderzoeken of en onder welke voorwaarden schorsing mogelijk zou kunnen zijn. De beslissing is genomen in raadkamer op 6 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-346103-25
bevel verlenging gevangenhouding, meervoudige raadkamer in strafzaken van 06 januari 2026 (artikel 66 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [verblijfplaats] .
Raadsvrouw mr. C. Willekes.

Procedure

Op 30 december 2025 is tegen de verdachte een bevel tot gevangenhouding verleend.
De officier van justitie heeft verlenging van de geldigheidsduur van dit bevel gevorderd voor de duur van 83 dagen.
De verdediging heeft de ernstige bezwaren en een van de gronden van de voorlopige hechtenis betwist en subsidair een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan.
De rechtbank heeft de officier van justitie mr. M.C. Fimerius, de verdachte en de raadsvrouw gehoord.

Beoordeling

Na onderzoek is gebleken dat de ernstige bezwaren en de grond(en) als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering, die tot het bevel tot gevangenhouding van de verdachte hebben geleid, ook op dit moment nog bestaan.
De rechtbank neemt de motivering in het bevel gevangenhouding voor het bestaan van ernstige bezwaren en gronden over als grondslag voor de verlenging van de gevangenhouding.
Ernstige bezwaren
Uit de stukken blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte dat deze het strafbare feit
vermeld in de vordering inbewaringstelling, te weten poging tot moord, heeft gepleegd. De
basis daarvoor wordt mede bepaald door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en
[getuige 2], medewerkers van de [gemeente], over uitlatingen die verdachte op 18
december 2025 over het toepassen van geweld heeft gedaan, als opgenomen in het proces­
verbaal raadkamer van 27 december 2025. Diezelfde avond nog steekt verdachte het
slachtoffer in de buik.
Gronden
Uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke
veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert.
Er is sprake van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde is door dat feit ernstig
geschokt. Met betrekking tot het aspect ernstig geschokte rechtsorde overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank is op grond van de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens inzake de uitleg van artikel 5, eerste en derde lid van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van oordeel dat van een ernstig geschokte rechtsorde slechts sprake kan zijn als voldaan wordt aan de volgende criteria:
a. In het licht van de bijzondere ernst van het concrete feit waarvan verdachte wordt verdacht en de publieke reactie daarop bestaat het gevaar dat vrijlating van deze verdachte tot maatschappelijke onrust zal leiden.
b. Van maatschappelijke onrust is sprake indien het in de samenleving onbegrijpelijk en onaanvaardbaar zou worden geacht indien deze verdachte de berechting in vrijheid zou mogen afwachten.
In de kern komt het er op neer dat bij het vaststellen van de vraag of er sprake is van een ernstig geschokte rechtsorde, rekening wordt gehouden met de aard van het strafbare feit, de mogelijke aandacht in de pers en/of sociale media, de rol en de positie van het slachtoffer en de tijd die verstrijkt. Wanneer het alsdan voor de samenleving niet te begrijpen zou zijn en ook niet geaccepteerd zou worden dat de verdachte zijn berechting in vrijheid zou afwachten, dan is er sprake van een ernstig geschokte rechtsorde. Invrijheidstelling zou dan tot maatschappelijke onrust kunnen leiden dan wel is invrijheidstelling in strijd met de heersende rechtsovertuiging. Er hoeft niet daadwerkelijk sprake te zijn van opstand of onrust in de samenleving. De kans erop is voldoende.
Het gaat om een verdenking poging moord op 18 december 2025. Gelet op de ernst van het feit waarvoor ernstige bezwaren bestaan, het gegeven dat het feit minder dan een maand geleden heeft plaatsgevonden, overdag, in een relatief kleine dorpsgemeenschap, in bijzijn van diverse personen terwijl de oorsprong van het feit gelegen lijkt te zijn in een al langer bestaand conflict tussen buren, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ernstig geschokte rechtsorde als hiervoor vermeld.
Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan
waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld.
Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan
waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.
- Verdachte wordt verdacht van een feit terwijl de omstandigheden van verdachte en
die waaronder dit feit vermoedelijk is gepleegd, ongewijzigd zijn gebleven. Het
conflict is immers nog niet opgelost en verdachte kan aangever in de buurt waar hij
woont vaak tegenkomen.
- Verdachte is al eerder met politie en justitie in aanraking geweest voor feiten met
een geweldscomponent, staat nog gedagvaard voor een aantal zaken en loopt in
twee verschillende proeftijden en een schorsing. Gezien voorgaande acht de
rechtbank de kans op recidive aanzienlijk.
De rechtbank is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op dit moment niet aan de orde is.
Afwijzing schorsingsverzoek
De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk belang zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van de verdachte bij invrijheidstelling en zal daarom het mondeling verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.
Bij verdenking van een 12-jaarsfeit en een ernstig geschokte rechtsorde, moeten er bijzondere, zwaarwegende, de persoon van verdachte betreffende omstandigheden zijn om tot schorsing van de voorlopige hechtenis te kunnen komen. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken.
Verder ziet de rechtbank niet in met welke schorsingsvoorwaarden het gevaar voor
herhaling kan worden teruggebracht tot een voor de samenleving aanvaardbaar niveau, ook gelet op het ontbreken van een rapport van de reclassering. De rechtbank ziet wel aanleiding om de officier van justitie te verzoeken om de reclassering te laten onderzoeken of en zo ja, onder welke voorwaarden schorsing van de voorlopige hechtenis mogelijk zou kunnen zijn.
De rechtbank neemt de artikelen 65, 66, 67, 67a en 78 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
verlengt de termijn van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van
30 (dertig) dagen;
wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af;
verzoekt de officier van justitie om de reclassering te laten onderzoeken of en zo ja, onder welke voorwaarden schorsing van de voorlopige hechtenis mogelijk zou kunnen zijn.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 06 januari 2026 door:
mr. G.H. Nomes, voorzitter,
mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier.