Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.Beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 26 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2011. De zaak betrof de verdenking van voorbereiding en/of bevordering van een terroristisch misdrijf. De rechtbank heeft vastgesteld dat de tenlastelegging onvoldoende concretisering bevatte over welk specifiek terroristisch misdrijf het ging, waardoor niet kon worden vastgesteld of er voldaan was aan de voorwaarden van artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht. Tijdens de zitting op 12 januari 2026 hebben de officieren van justitie, mrs. E.H. Smale en I.J.M. van Hamsvoord, hun standpunten gepresenteerd, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door raadsman mr. R. el Bellaj, pleitte voor vrijspraak. De rechtbank concludeerde dat, hoewel de verdachte zorgwekkende uitlatingen had gedaan en zich had ingelaten met extremistische ideologieën, de tenlastelegging niet voldoende was om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit en hevelde het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.