ECLI:NL:RBZWB:2026:394

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
02-301787-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak in strafzaak tegen minderjarige wegens voorbereiding en/of bevordering van een terroristisch misdrijf

Op 26 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2011. De zaak betrof de verdenking van voorbereiding en/of bevordering van een terroristisch misdrijf. De rechtbank heeft vastgesteld dat de tenlastelegging onvoldoende concretisering bevatte over welk specifiek terroristisch misdrijf het ging, waardoor niet kon worden vastgesteld of er voldaan was aan de voorwaarden van artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht. Tijdens de zitting op 12 januari 2026 hebben de officieren van justitie, mrs. E.H. Smale en I.J.M. van Hamsvoord, hun standpunten gepresenteerd, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door raadsman mr. R. el Bellaj, pleitte voor vrijspraak. De rechtbank concludeerde dat, hoewel de verdachte zorgwekkende uitlatingen had gedaan en zich had ingelaten met extremistische ideologieën, de tenlastelegging niet voldoende was om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit en hevelde het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-301787-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2026
In de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. R. el Bellaj, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is achter gesloten deuren inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 januari 2026, waarbij de officieren van justitie mrs. E.H. Smale en I.J.M. van Hamsvoord en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding en/of bevordering van een terroristisch misdrijf.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Verdachte erkent de tenlastegelegde gedragingen en uitingen. Deze gedragingen en uitingen zijn gericht op het vergaren van inlichtingen en kennis door verdachte waarbij de kennis en verkregen bestanden zien op het plegen van terroristische misdrijven. Opzet op het zich verschaffen van inlichtingen en het verwerven van kennis en vaardigheden, met de bedoeling daarmee een terroristisch misdrijf te plegen, kan hiermee wettig en overtuigend worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte van het tenlastegelegde feit vrij te spreken. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan terroristische voorbereiding, bevordering of training. Het dossier bevat digitale uitingen en ideologische experimenten van een zeer jonge jongen, maar dat is niet hetzelfde als een terroristisch oogmerk in strafrechtelijke zin.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandighedenDe rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte de uitingen en gedragingen die ten laste zijn gelegd heeft erkend. Verdachte heeft onder de naam “ [gebruikersnaam] ” chatgroepen aangemaakt en aan verschillende chatgroepen op Telegram deelgenomen, genaamd “ [chatgroep 1] ”, “ [chatgroep 2] ” en “ [chatgroep 3] ". In deze groepen werd onder meer gesproken over hoe verdachte aan wapens kon komen en dat hij pijpbommen wilde maken. Hiertoe heeft verdachte PDF-files ontvangen waarin onder meer uitleg werd gegeven over het maken van die pijpbommen en het printen van wapens. Hij zou ook bezig zijn met het opmaken van een manifest. Op het bericht van een groepsdeelnemer met als inhoud “kill at least 8 people” antwoordde verdachte “need to find any left wing protest or Antifa being hosted”. Ook heeft verdachte in [chatgroep 1] , die hij heeft opgericht en beheert, het over het doden van een pedofiel en het delen van een stream van deze daad.
De rechtbank stelt vast dat verdachte met deze handelingen zich kennis en informatie heeft verschaft over in ieder geval het vervaardigen van wapens en pijpbommen.
Verdachte heeft voorts rechts-extremistische uitlatingen gedaan waarbij hij mensen heeft opgeruid tot het plegen van misdrijven en aangespoord tot haat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit zorgwekkende handelingen gepleegd door een zeer jonge jongen.
Juridisch kader
Artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht stelt het verlenen van gelegenheid, middelen of inlichtingen voor het plegen, voorbereiden of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf strafbaar, zelfs als er nog geen misdrijf is gepleegd. Onder de reikwijdte van dit artikel valt ook de eenling die zich via internet op de hoogte stelt van kennis en informatie ten behoeve van het plegen van een terroristisch misdrijf of het vergemakkelijken ervan.
De wetgever heeft in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”.
De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie in de tenlastelegging geen nadere concretisering heeft opgenomen op welk “terroristisch misdrijf” de tenlastelegging betrekking heeft. Daardoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld of er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht en daarmee of er sprake is van voorbereidingen ten behoeve van het plegen van een terroristisch misdrijf. De rechtbank dient bij de beoordeling van de bewijsvraag de tenlastelegging als uitgangspunt te nemen waarbij het niet aan de rechtbank is om het begrip “terroristisch misdrijf” nader te duiden dan wel te concretiseren. Ook uit de gedachtestreepjes die zijn opgenomen in de tenlastelegging kan niet worden opgemaakt op welk terroristisch misdrijf wordt gedoeld.
De door verdachte gedane rechts-extremistische uitlatingen waarbij hij mensen heeft opgeruid tot het plegen van misdrijven en heeft aangespoord tot haat betreffen zeer ernstige en tevens zeer zorgwekkende gedragingen. De rechtbank kan gelet op het hiervoor gaande echter niet anders dan de verdachte vrij spreken van het ten laste gelegde feit.

5.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, mrs. A.R. van Triest, beide kinderrechters, en mr. R.T. van Poort, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 januari 2026.
Mrs. Van Triest en Van Poort en de griffier zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.