ECLI:NL:RBZWB:2026:394

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
02-301787-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 83 SrArt. 83a SrArt. 134a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende concretisering tenlastelegging voorbereiding terroristisch misdrijf

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 januari 2026 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van voorbereiding en bevordering van een terroristisch misdrijf. De verdachte had via Telegram chatgroepen deelgenomen en informatie verzameld over het maken van wapens en pijpbommen, en had rechts-extremistische uitlatingen gedaan die opruiing tot misdrijven en haat bevatten.

De officieren van justitie stelden dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op het vergaren van kennis en bestanden ten behoeve van terroristische misdrijven, en dat het opzet op het plegen van een terroristisch misdrijf wettig en overtuigend bewezen kon worden. De verdediging betoogde dat de digitale uitingen en ideologische experimenten van een jonge jongen onvoldoende aanknopingspunten boden voor een terroristisch oogmerk in strafrechtelijke zin.

De rechtbank constateerde dat de tenlastelegging geen nadere concretisering bevatte van het terroristisch misdrijf waarop deze betrekking had, waardoor niet kon worden vastgesteld of voldaan was aan de voorwaarden van artikel 83 Sr Pro. De rechtbank is niet bevoegd om het begrip terroristisch misdrijf nader te duiden dan in de tenlastelegging is opgenomen. Ondanks de ernstige en zorgwekkende gedragingen sprak de rechtbank de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank hief tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. Het vonnis werd gewezen door drie kinderrechters, waarbij twee rechters en de griffier niet in de gelegenheid waren het vonnis mede te ondertekenen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende concretisering van het terroristisch misdrijf in de tenlastelegging.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-301787-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2026
In de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. R. el Bellaj, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is achter gesloten deuren inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 januari 2026, waarbij de officieren van justitie mrs. E.H. Smale en I.J.M. van Hamsvoord en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding en/of bevordering van een terroristisch misdrijf.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Verdachte erkent de tenlastegelegde gedragingen en uitingen. Deze gedragingen en uitingen zijn gericht op het vergaren van inlichtingen en kennis door verdachte waarbij de kennis en verkregen bestanden zien op het plegen van terroristische misdrijven. Opzet op het zich verschaffen van inlichtingen en het verwerven van kennis en vaardigheden, met de bedoeling daarmee een terroristisch misdrijf te plegen, kan hiermee wettig en overtuigend worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte van het tenlastegelegde feit vrij te spreken. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan terroristische voorbereiding, bevordering of training. Het dossier bevat digitale uitingen en ideologische experimenten van een zeer jonge jongen, maar dat is niet hetzelfde als een terroristisch oogmerk in strafrechtelijke zin.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandighedenDe rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte de uitingen en gedragingen die ten laste zijn gelegd heeft erkend. Verdachte heeft onder de naam “ [gebruikersnaam] ” chatgroepen aangemaakt en aan verschillende chatgroepen op Telegram deelgenomen, genaamd “ [chatgroep 1] ”, “ [chatgroep 2] ” en “ [chatgroep 3] ". In deze groepen werd onder meer gesproken over hoe verdachte aan wapens kon komen en dat hij pijpbommen wilde maken. Hiertoe heeft verdachte PDF-files ontvangen waarin onder meer uitleg werd gegeven over het maken van die pijpbommen en het printen van wapens. Hij zou ook bezig zijn met het opmaken van een manifest. Op het bericht van een groepsdeelnemer met als inhoud “kill at least 8 people” antwoordde verdachte “need to find any left wing protest or Antifa being hosted”. Ook heeft verdachte in [chatgroep 1] , die hij heeft opgericht en beheert, het over het doden van een pedofiel en het delen van een stream van deze daad.
De rechtbank stelt vast dat verdachte met deze handelingen zich kennis en informatie heeft verschaft over in ieder geval het vervaardigen van wapens en pijpbommen.
Verdachte heeft voorts rechts-extremistische uitlatingen gedaan waarbij hij mensen heeft opgeruid tot het plegen van misdrijven en aangespoord tot haat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit zorgwekkende handelingen gepleegd door een zeer jonge jongen.
Juridisch kader
Artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht stelt het verlenen van gelegenheid, middelen of inlichtingen voor het plegen, voorbereiden of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf strafbaar, zelfs als er nog geen misdrijf is gepleegd. Onder de reikwijdte van dit artikel valt ook de eenling die zich via internet op de hoogte stelt van kennis en informatie ten behoeve van het plegen van een terroristisch misdrijf of het vergemakkelijken ervan.
De wetgever heeft in artikel 83 van Pro het Wetboek van Strafrecht bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”.
De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie in de tenlastelegging geen nadere concretisering heeft opgenomen op welk “terroristisch misdrijf” de tenlastelegging betrekking heeft. Daardoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld of er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 83 van Pro het Wetboek van Strafrecht en daarmee of er sprake is van voorbereidingen ten behoeve van het plegen van een terroristisch misdrijf. De rechtbank dient bij de beoordeling van de bewijsvraag de tenlastelegging als uitgangspunt te nemen waarbij het niet aan de rechtbank is om het begrip “terroristisch misdrijf” nader te duiden dan wel te concretiseren. Ook uit de gedachtestreepjes die zijn opgenomen in de tenlastelegging kan niet worden opgemaakt op welk terroristisch misdrijf wordt gedoeld.
De door verdachte gedane rechts-extremistische uitlatingen waarbij hij mensen heeft opgeruid tot het plegen van misdrijven en heeft aangespoord tot haat betreffen zeer ernstige en tevens zeer zorgwekkende gedragingen. De rechtbank kan gelet op het hiervoor gaande echter niet anders dan de verdachte vrij spreken van het ten laste gelegde feit.

5.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, mrs. A.R. van Triest, beide kinderrechters, en mr. R.T. van Poort, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 januari 2026.
Mrs. Van Triest en Van Poort en de griffier zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.