Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.Beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 januari 2026 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van voorbereiding en bevordering van een terroristisch misdrijf. De verdachte had via Telegram chatgroepen deelgenomen en informatie verzameld over het maken van wapens en pijpbommen, en had rechts-extremistische uitlatingen gedaan die opruiing tot misdrijven en haat bevatten.
De officieren van justitie stelden dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op het vergaren van kennis en bestanden ten behoeve van terroristische misdrijven, en dat het opzet op het plegen van een terroristisch misdrijf wettig en overtuigend bewezen kon worden. De verdediging betoogde dat de digitale uitingen en ideologische experimenten van een jonge jongen onvoldoende aanknopingspunten boden voor een terroristisch oogmerk in strafrechtelijke zin.
De rechtbank constateerde dat de tenlastelegging geen nadere concretisering bevatte van het terroristisch misdrijf waarop deze betrekking had, waardoor niet kon worden vastgesteld of voldaan was aan de voorwaarden van artikel 83 Sr Pro. De rechtbank is niet bevoegd om het begrip terroristisch misdrijf nader te duiden dan in de tenlastelegging is opgenomen. Ondanks de ernstige en zorgwekkende gedragingen sprak de rechtbank de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank hief tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. Het vonnis werd gewezen door drie kinderrechters, waarbij twee rechters en de griffier niet in de gelegenheid waren het vonnis mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende concretisering van het terroristisch misdrijf in de tenlastelegging.