ECLI:NL:RBZWB:2026:3951

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/02/444647 / JE RK 26-199
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door ouderlijke conflicten

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen voor de duur van een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing van één minderjarige bij een netwerkpleeggezin. Tijdens de zitting trok de Raad het verzoek tot uithuisplaatsing in.

De kinderrechter constateerde dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door een langdurige en verharde strijd tussen de ouders, die niet in staat zijn de scheidingsproblematiek buiten de kinderen te houden. Er zijn spanningen binnen het gezin, met name tussen de minderjarigen onderling en met de ex-partner van de moeder. De situatie is pril en onduidelijk, met zorgen over de opvoedomgeving en het contact tussen de minderjarigen en hun ouders.

De kinderrechter oordeelde dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is en dat ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling van de minderjarigen te waarborgen. De beschikking tot ondertoezichtstelling werd toegekend voor de periode van 10 april 2026 tot 10 april 2027, met de opdracht aan de gecertificeerde instelling om regie te voeren en de hulpverlening te monitoren. Het verzoek tot uithuisplaatsing werd afgewezen wegens intrekking.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht voor een jaar en wijst het verzoek tot uithuisplaatsing af na intrekking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444647 / JE RK 26-199
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. L.A. Jansen te Oud-Beijerland,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg.
mr. M. Kalle,advocaat te Middelburg,
in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 30 januari 2026, ontvangen op 30 januari 2026;
  • het op 7 april 2026 ontvangen verweerschrift van mr. Jansen.
1.2.
Gelet op de nauwe samenhang tussen dit verzoek van de Raad en het verzoek in de zaak met het kenmerk C/02/435823 / FA RK 25-2696, zijn deze zaken gelijktijdig mondeling behandeld. In beide zaken wordt bij separate beschikking beslist.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
  • de bijzondere curator;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.4.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, te weten bij tante (vz) [tante vz] , te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad het verzoek om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij tante (vz) [tante vz] , ingetrokken.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad het volgende aan. Er is sprake van een meer dan tien jaar durende, inmiddels verharde, strijd tussen de ouders waarbij het de ouders niet lukt om de scheidingsproblematiek bij de minderjarigen weg te houden. Hoewel [minderjarige 1] inmiddels terug bij de moeder woont en er een stabiele situatie lijkt te zijn ontstaan, is de situatie nog erg pril. Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over het contactverlies tussen [minderjarige 2] en haar vader en is er op dit moment onvoldoende zicht op de onderlinge relaties binnen het gezin. Zo bestaan er spanningen tussen [minderjarige 1] en de ex-partner van de moeder en staat de band tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder druk. Ook is het onduidelijk in hoeverre de minderjarigen nog belast worden met volwassenproblematiek. De Raad acht het noodzakelijk dat er iemand mee gaat kijken binnen het gezin en dat waar nodig hulpverlening wordt ingezet.
4.2.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder staat achter het verzoek tot ondertoezichtstelling. De moeder maakt zich zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 2] heeft zich lang zorgen gemaakt over [minderjarige 1] waardoor zij eerder niet toekwam aan haar ontwikkelingstaken. Momenteel pakt zij haar leven weer op, maar de moeder denkt dat zij in een soort overlevingsstand zit. Ook maakt de moeder zich zorgen over [minderjarige 1] en over zijn belevingen met haar ex-partner. De moeder erkent dat haar ex-partner, nadat zij twee jaar geleden besloten hebben om uit elkaar te gaan, boos en conflict zoekend was. In die periode is [minderjarige 1] weggelopen naar zijn vader. Met de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft de moeder geen contact. Indien nodig kunnen zij op een constructieve manier met elkaar communiceren, maar voor nu is daar geen noodzaak toe. De ex-partner van de moeder woont in een appartement aangrenzend aan de woning. Het is de bedoeling dat zij volledig naast elkaar gaan leven, maar dat is op dit moment niet mogelijk doordat het appartement nog niet beschikt over alle voorzieningen. De moeder zit in een tweestrijd. Zij vindt het fijn voor haar andere twee kinderen dat zij naast hun vader kunnen wonen, maar zou [minderjarige 2] en [minderjarige 1] meer rust en een stabiliteit gunnen. Ook zou de moeder graag zien dat er hulp en begeleiding voor hen wordt ingezet. De moeder wil het allerbeste voor haar kinderen.
4.3.
Door de advocaat is namens de vader naar voren gebracht dat de vader zich refereert aan het oordeel van de kinderrechter. De vader is moegestreden van alle procedures en van hetgeen er allemaal is gebeurd de afgelopen jaren. Hij hoopt dat er goed naar de opvoedsituatie bij de moeder thuis gekeken gaat worden. Hij zal meewerken aan de noodzakelijk geachte hulpverlening.
4.4.
De bijzondere curator vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat er een ondertoezichtstelling komt. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij het fijn vindt om weer bij zijn moeder te wonen. Vooral omdat hij de andere kinderen in het gezin erg heeft gemist. De bijzondere curator maakt zich wel zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, en dan met name over de situatie tussen [minderjarige 1] en de ex-partner van de moeder. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij de ex-partner van de moeder negeert. [minderjarige 1] geeft aan dat dit goed verloopt, maar de bijzondere curator maakt zich hier zorgen over en vraagt zich af in hoeverre deze afspraak werkbaar is. Het is daarom van belang dat de situatie gemonitord wordt. Verder heeft [minderjarige 1] goed contact met zijn vader en maken zij onderling afspraken over wanneer zij elkaar zien. Tegen de bijzondere curator heeft [minderjarige 1] verteld dat beide ouders niet meer negatief spreken over de andere ouder. Dit vindt [minderjarige 1] erg prettig. Tot slot vindt de bijzondere curator het belangrijk dat wanneer [minderjarige 1] ergens mee zit, hij met iemand van [zorgorganisatie] kan spreken. Gelet hierop, en gezien het feit dat [minderjarige 1] geen toegevoegde waarde meer ziet in een bijzondere curator, beschouwt de bijzondere curator zijn taak beëindigd.
4.5.
De GI sluit zich aan bij hetgeen de Raad en de bijzondere curator tijdens de zitting naar voren hebben gebracht. Verder licht de GI toe dat er sprake is van een wachtlijst, maar dat het instroomteam direct van start kan.
4.6.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] aangegeven dat het goed met haar gaat. Een ondertoezichtstelling vindt [minderjarige 2] op zich wel fijn zodat er meer duidelijkheid komt over wat er zich heeft afgespeeld tussen [minderjarige 1] en de ex-partner van de moeder. [minderjarige 2] vindt het moeilijk te geloven dat wat [minderjarige 1] beweert waar is. Verder geeft zij haar leven het cijfer 9. [minderjarige 2] heeft veel vriendinnen, het gaat goed op school en houdt ervan om creatief bezig te zijn. Zij zou graag een bijbaantje willen om meer geld te kunnen verdienen en later wil zij een band oprichten. Ook wil zij dat [minderjarige 1] zich fijn voelt thuis. [minderjarige 2] heeft geen contact met haar vader en wil dit graag zo houden. De band tussen haar en [minderjarige 1] is wisselend.
4.7.
[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij sinds drie weken weer bij zijn moeder woont. Voorheen verbleef hij een tijd bij zijn vader en bij zijn oom en tante. Op dit moment verblijft hij van maandag tot vrijdag bij zijn moeder en van vrijdag tot zondag bij zijn vader. In de thuissituatie van de moeder is de afspraak gemaakt dat de ex-partner van de moeder [minderjarige 1] niet mag aanspreken. Dit verloopt goed. Ook op school gaat het beter. [minderjarige 1] haalt betere cijfers en heeft een duidelijke toekomstvisie bij defensie. Hij is gestopt met het christelijke geloof. Hij geeft zijn leven het cijfer 9,5. Hij zou graag wat meer motivatie en discipline willen. Verder geeft [minderjarige 1] aan dat hij een vriendin heeft en leuke vrienden waarmee hij bijna elke dag naar buiten gaat. De gesprekken die hij voert met [zorgorganisatie] vindt [minderjarige 1] fijn en wil hij graag zo houden. Tot slot geeft [minderjarige 1] aan dat de ex-partner van de moeder de reden is waarom er een ondertoezichtstelling zou moeten komen.

5.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten zoals hierboven vermeld. De kinderrechter zal derhalve het – onweersproken – verzoek van de Raad toewijzen en de ondertoezichtstelling verlenen voor de duur van een jaar, met ingang van 10 april 2026 en tot 10 april 2027. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Dat komt met name doordat de minderjarigen verzeild zijn geraakt in de strijd die de ouders onderling voeren. Het lukt de ouders niet om de scheidingsproblematiek bij de kinderen weg te houden. Door deze strijd kampen de minderjarigen met een loyaliteitsconflict en is ook de relatie tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder druk komen te staan.
5.4.
De kinderrechter constateert dat er nog veel onduidelijkheid over de huidige situatie en de opvoedomgeving bij de moeder bestaat. Er zijn zorgen over de rol van de ex-partner van de moeder en de onderlinge dynamiek tussen alle gezinsleden ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , moeder en vader en de ex-partner van moeder).
5.5.
In april 2025 is [minderjarige 1] naar aanleiding van een ruzie met zijn moeder en de ex-partner van de moeder weggelopen naar de vader waar hij vervolgens vier maanden heeft verbleven. [minderjarige 1] is in die periode niet naar school geweest en had nauwelijks contact met zijn moeder. In augustus 2025 is [minderjarige 1] verhuisd naar zijn oom en tante (vz) en sinds maart 2026 verblijft [minderjarige 1] weer bij de moeder. Deze periode met onduidelijkheid heeft veel impact gehad op [minderjarige 1] . [minderjarige 1] ervaarde gevoelens van angst ten aanzien van de ex-partner van de moeder die maakten dat hij niet terug wilde naar de moeder. Op dit moment is de situatie zo dat de ex-partner van de moeder in een appartement aangrenzend aan de woning verblijft. [minderjarige 1] ziet de ex-partner geregeld in huis, maar hebben de afspraak gemaakt dat zij elkaar niet aanspreken. Hoewel de situatie inmiddels stabiel lijkt te zijn, is dit nog erg pril en vraagt de kinderrechter zich af in hoeverre deze situatie houdbaar is.
5.6.
Voornoemde situatie heeft niet alleen veel impact gehad op [minderjarige 1] , maar ook op [minderjarige 2] . [minderjarige 2] krijgt de spanningen in de opvoedsituatie van de moeder rondom de situatie met [minderjarige 1] mee en maakt zich zorgen over het welzijn van [minderjarige 1] . Inmiddels vindt er ook al anderhalf jaar geen contact plaats tussen [minderjarige 2] en de vader. [minderjarige 2] is zeer stellig dat zij op dit moment niet open staat voor contactherstel. De kinderrechter vindt dit zorgelijk, omdat [minderjarige 2] haar beide ouders nodig heeft om een eigen identiteit te kunnen ontwikkelen. Naast dat dit een bedreiging vormt voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 2] , is dit tevens schadelijk voor haar sociaal-emotionele ontwikkeling.
5.7.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen. De kinderrechter neemt hierbij in overweging dat er in het verleden al meermaals hulpverlening (ook in de vorm van een ondertoezichtstelling) is ingezet, maar dat dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Bovendien is ter zitting gebleken dat de ouders onderling ook op dit moment op geen enkele manier constructief met elkaar communiceren en samenwerken. Ze maken elkaar zelfs ernstige verwijten. Om die reden is de kinderrechter van oordeel dat verdere hulpverlening in het vrijwillig kader – gezien de toenemende zorgen en het ontbreken van een structurele verandering – onvoldoende toereikend zal zijn.
5.8.
De kinderrechter sluit zich aan bij de opgestelde doelen die de Raad heeft geformuleerd in het Raadsrapport. De kinderrechter geeft de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op binnen een fysiek en emotioneel veilige opvoedingsomgeving, waarbij hen duidelijkheid, voorspelbaarheid en stabiliteit wordt geboden maar ook steun, begrip en affectie aanwezig is. [minderjarige 1] heeft een positief, voorspelbaar, veilig en onbelast contact met zijn beide ouders waarbij hij niet wordt belast met volwassen zaken en spanningen tussen hen.
  • [minderjarige 1] ervaart duidelijkheid als het gaat om zijn verblijfplaats.
  • [minderjarige 2] heeft een positief, voorspelbaar, veilig en onbelast contact met haar moeder waarbij zij niet wordt belast met volwassen zaken en spanningen die moeder heeft.
  • De manier waarop vader (g)een plek heeft in het leven van [minderjarige 2] , en het voortzetten van het huidige (ontbreken van) contact van [minderjarige 2] met vader wordt steeds afgewogen op geleide van de behoefte en het welzijn van [minderjarige 2] .
  • [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben een fijn en onbelast contact met elkaar.
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beiden een onafhankelijk persoon, die los staat van ouders, bij wie zij hun verhaal kwijt kunnen.
  • Er is zicht op de aard van de relatie tussen [minderjarige 1] en zijn vader en [minderjarige 1] en zijn moeder, en op hoe deze door [minderjarige 1] ervaren wordt.
  • Ouders hebben inzicht in hun (terugkerende) problemen en de invloed daarvan op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodat (hardnekkige) patronen doorbroken kunnen worden en de problemen beter begrepen kunnen worden.
  • Ouders hebben inzicht in wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezien de complexe situatie waarin zij zich bevinden van hen nodig hebben en wat zij daarin zelf kunnen betekenen, zowel nu al als in de toekomst.
5.9.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter geeft daarbij opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bewaken. De kinderrechter vindt het van belang dat de hulpverlening vanuit [zorgorganisatie] voor [minderjarige 1] wordt voortgezet en dat door de GI bekeken gaat worden of dit voldoende is. Vanwege de ernstige zorgen vindt de kinderrechter het belangrijk dat ook voor [minderjarige 2] gekeken gaat worden of zij hulp en ondersteuning nodig heeft. Daarnaast moet er zicht verkregen worden op de onderlinge relaties binnen het gezinssysteem waarin [minderjarige 2] en [minderjarige 1] opgroeien, maar ook op de opvoedomgeving van de moeder waarbij er specifiek aandacht is voor de rol van de ex-partner van de moeder en wat er zich in het verleden heeft afgespeeld tussen [minderjarige 1] en de ex-partner.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.10.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad het verzoek om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij tante (vz) [tante vz] , ingetrokken. Nu dit verzoek is ingetrokken, behoeft dit geen beoordeling en beslissing meer. De kinderrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 10 april 2026 tot 10 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 20 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.