Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 30 januari 2026, ontvangen op 30 januari 2026;
- het op 7 april 2026 ontvangen verweerschrift van mr. Jansen.
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de advocaat van de vader;
- de bijzondere curator;
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op binnen een fysiek en emotioneel veilige opvoedingsomgeving, waarbij hen duidelijkheid, voorspelbaarheid en stabiliteit wordt geboden maar ook steun, begrip en affectie aanwezig is. [minderjarige 1] heeft een positief, voorspelbaar, veilig en onbelast contact met zijn beide ouders waarbij hij niet wordt belast met volwassen zaken en spanningen tussen hen.
- [minderjarige 1] ervaart duidelijkheid als het gaat om zijn verblijfplaats.
- [minderjarige 2] heeft een positief, voorspelbaar, veilig en onbelast contact met haar moeder waarbij zij niet wordt belast met volwassen zaken en spanningen die moeder heeft.
- De manier waarop vader (g)een plek heeft in het leven van [minderjarige 2] , en het voortzetten van het huidige (ontbreken van) contact van [minderjarige 2] met vader wordt steeds afgewogen op geleide van de behoefte en het welzijn van [minderjarige 2] .
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben een fijn en onbelast contact met elkaar.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beiden een onafhankelijk persoon, die los staat van ouders, bij wie zij hun verhaal kwijt kunnen.
- Er is zicht op de aard van de relatie tussen [minderjarige 1] en zijn vader en [minderjarige 1] en zijn moeder, en op hoe deze door [minderjarige 1] ervaren wordt.
- Ouders hebben inzicht in hun (terugkerende) problemen en de invloed daarvan op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodat (hardnekkige) patronen doorbroken kunnen worden en de problemen beter begrepen kunnen worden.
- Ouders hebben inzicht in wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezien de complexe situatie waarin zij zich bevinden van hen nodig hebben en wat zij daarin zelf kunnen betekenen, zowel nu al als in de toekomst.
6.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.