ECLI:NL:RBZWB:2026:3958

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446063 / JE RK 26-442
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens aanhoudende zorgen en communicatieproblemen ouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds april 2023 onder toezicht staat. De ondertoezichtstelling is reeds meerdere malen verlengd, laatstelijk tot 24 april 2026. De GI verzoekt nu om een verlenging van acht maanden vanwege toegenomen gedragsproblematiek bij de minderjarige en stagnatie in de EMDR-behandeling door het uitblijven van toestemming van de vader.

De moeder stemt in met verlenging maar verzoekt een beperking tot zes maanden, wijzend op verbeterde thuissituatie en haar inzet voor verzorging en opvoeding. De vader uit kritiek op de GI en verlaat de zitting. De kinderrechter constateert dat de voorwaarden voor verlenging nog steeds aanwezig zijn, met name vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige, de spanningen tussen ouders en het ontbreken van contactherstel.

De kinderrechter acht een verlenging van acht maanden noodzakelijk om de continuïteit van de zorg en begeleiding te waarborgen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep wordt vermeld.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met acht maanden tot 24 december 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446063 / JE RK 26-442
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: M.P.J. Brouwers uit Tilburg
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van 13 maart 2026, ontvangen op 16 maart 2026;
  • het stelbericht van mr. Brouwers van 19 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat.
1.3.
Van de GI heeft de kinderrechter vernomen dat de jeugdbeschermer niet naar de rechtbank kon komen in verband met ziekte. Er kon geen vervanger worden geregeld, ook niet om digitaal aanwezig te zijn. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de GI. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 24 april 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 24 november 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 24 januari 2025 tot 24 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van acht maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De afgelopen maanden zijn zwaar geweest voor [minderjarige] en hebben geresulteerd in een toename van zijn gedragsproblematiek. De behandeling van [minderjarige] is gestagneerd door het uitblijven van de toestemming van de vader voor het EMDR-traject. [minderjarige] is hierdoor mogelijk opnieuw getraumatiseerd. Op school ging het hierdoor ook slechter. [minderjarige] voelt zich niet gehoord en ervaart stress rondom toestemming van de vader in de toekomst. Er is een belast verleden tussen de ouders. De vader wenst geen communicatie met de moeder. De moeder wil wel contact, in het belang van [minderjarige] , maar ervaart spanningen. [minderjarige] heeft aangegeven niet open te staan voor contactherstel met de vader, mede vanwege het verloop van het EMDR-traject. De EMDR-behandeling is inmiddels gestart, er is een intake geweest op de nieuwe school van [minderjarige] en [minderjarige] is aangemeld bij Self.

5.De standpunten van belanghebbende

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar zij verzoekt de kinderrechter de verlenging te beperken tot zes maanden. Sinds de ondertoezichtstelling loopt is er meer veiligheid en stabiliteit in de thuissituatie bij de moeder. Dat heeft er onder meer mee te maken dat de moeder haar relatie heeft beëindigd en er al jaren geen contact met de ex-partner is. Ook is er sinds november 2023 geen sprake van drugsgebruik door de moeder. Dit staat ten onrechte niet vermeld in de stukken van de GI. De moeder heeft hard aan zichzelf gewerkt. Zij heeft twee EMDR-trajecten afgerond. De moeder kan op een goede manier invulling geven aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Zij accepteert de hulp en weet de hulpverleners te vinden.
Het contact tussen de vader en de moeder verloopt via de GI. Onderlinge communicatie is niet mogelijk. De ondertoezichtstelling is nodig om dit contact te begeleiden en voor het krijgen van toestemming van de vader. [minderjarige] heeft er last van dat zaken uitblijven. Dat geldt voor de behandeling en de nieuwe school maar ook voor vakanties. [minderjarige] is een gevoelige jongen die veel heeft meegemaakt. De moeder verzoekt de verlenging van de ondertoezichtstelling in duur te beperken omdat zij overweegt een verzoek in te dienen bij de rechtbank om het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te verkrijgen. Dit zou voor een hoop rust bij [minderjarige] zorgen, waardoor hij minder in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ook hoopt zij dat [minderjarige] dan weer de mogelijkheid ziet contact met zijn vader te hebben. Op dit moment is er geen contact tussen [minderjarige] en zijn vader, omdat [minderjarige] daar niet open voor staat. De moeder stimuleert het contact tussen [minderjarige] en de vader nog wel.
5.2.
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij ten onrechte de schuld krijgt dat zaken niet lopen. De vader heeft diverse keren vragen gesteld aan de GI. Hij wordt niet of te laat op de hoogte gehouden door de GI. De vader geeft aan zijn handen ervan af te trekken. Hierop heeft hij de zittingzaal verlaten.

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. Er is geen communicatie tussen de ouders. Alle communicatie verloopt via de GI. Ook de situatie rondom de toestemmingen is zorgelijk. [minderjarige] is een kwetsbare jongen vanwege zijn beperking en zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij is getuige geweest van ruzies tussen zijn ouders, heeft een achterstand op school en er worden signalen van ADHD gezien. [minderjarige] heeft een EMDR-behandeling nodig, die na de intake en een eerste paar behandelingen drie maanden heeft stil gelegen, vanwege het ontbreken van de toestemming door de vader. Inmiddels is het traject gestart, maar dit is schadelijk geweest voor [minderjarige] en heeft mogelijk zelfs geleid tot nieuwe trauma's. [minderjarige] ervaart veel spanningen rondom de communicatie tussen zijn ouders. Hij heeft het gevoel dat hij niet belangrijk is en dat hij zijn vader niet kan vertrouwen. Daarom wil [minderjarige] geen contact met de vader. Het is belangrijk dat de GI blijft onderzoeken of er ruimte is bij [minderjarige] voor contact met de vader, bijvoorbeeld via Self of het EMDR-traject. Bovendien is het een spannende periode voor [minderjarige] omdat hij naar een nieuwe school zal gaan. Ook dat levert spanningen voor hem op. Gelet op voornoemde zorgen is het belangrijk dat de GI betrokken blijft.
6.4.
De kinderrechter is, anders dan de moeder, van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling van acht maanden noodzakelijk is, gelet op de zorgen over de communicatie tussen de ouders en het feit dat er geen contactherstel heeft plaatsgevonden. Indien de moeder inderdaad een verzoek om het eenhoofdig gezag zal indienen is niet gezegd dat dit verzoek wordt toegewezen en dat dit verzoek binnen zes maanden behandeld zal zijn door de rechtbank. In de komende periode zou dan bovendien moeten worden gewerkt aan de overdracht naar het vrijwillig kader. Ook hier is vaak nog tijd voor nodig, ook nadat er een beslissing zou zijn genomen over het gezag. De verwachting is dat dit nog enige tijd zal duren. De kinderrechter merkt op dat indien de GI van mening is dat er in die acht maanden eerder kan worden toegewerkt naar het vrijwillig kader de GI dat zal bespreken met de moeder en de vader. De ondertoezichtstelling kan dan ook op initiatief van de GI eerder beëindigd worden.
6.5.
De kinderrechter merkt op dat zij begrijpt dat de frustratie bij de vader groot is als hij niet of niet tijdig wordt geïnformeerd door de GI. Het is belangrijk dat de GI de komende periode blijft werken aan de communicatie met de vader en tussen de ouders onderling. Aan de andere kant is het ook belangrijk dat de vader blijft meewerken. Op die manier kan hij laten zien dat hij het beste met [minderjarige] voor heeft, zodat [minderjarige] het gevoel heeft dat hij de vader kan vertrouwen en er weer aan contactherstel kan worden gewerkt.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 24 april 2026 tot 24 december 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.