ECLI:NL:RBZWB:2026:3988

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
12054908 \ RR 26-2 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • Goossens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:265 lid 2 BWArt. 6:82 lid 1 BWArt. 6:83 aanhef en onder a tot en met c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst hairextensions niet rechtsgeldig wegens ontbreken verzuim

In deze zaak vordert eiseres terugbetaling van €1.330,- die zij betaalde voor het aanbrengen van hairextensions door gedaagde. Eiseres stelt dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden omdat het resultaat niet aan haar verwachtingen voldoet.

De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst als gemengd: consumentenkoop en opdracht. Voor ontbinding is vereist dat gedaagde in verzuim is gesteld. Dit betekent dat eiseres gedaagde schriftelijk in gebreke had moeten stellen met een redelijke termijn voor nakoming.

Eiseres heeft wel een ingebrekestelling gestuurd, maar daarin ontbrak een redelijke termijn. Bovendien heeft eiseres de extensions door een derde laten verwijderen voordat gedaagde de kans kreeg om alsnog na te komen. Het enkele gebrek aan vertrouwen van eiseres in gedaagde is onvoldoende om verzuim aan te nemen.

De kantonrechter concludeert dat geen verzuim is ingetreden en dat de ontbinding derhalve niet rechtsgeldig is. De vordering tot terugbetaling wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van de kosten voor hairextensions wordt afgewezen wegens ontbreken van verzuim.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12054908 \ RR 26-2
Vonnis van 29 april 2026 in de experimentele procedure bij de regelrechter
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door [eigenaresse] , eigenaresse van [gedaagde] .

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of [eiser] de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden en [eiser] op die grond recht heeft op (terug)betaling van de aan haar in rekening gebrachte kosten voor het aanbrengen van hairextensions. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is en wijst de vordering van [eiser] dan ook af. De kantonrechter licht dit oordeel hierna toe.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 14 januari 2026 ontvangen aanvraagformulier met bijlagen;
- het reactieformulier met bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026.
2.2
Aan het slot van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1
[gedaagde] heeft in opdracht en voor rekening van [eiser] op 23 december 2025 bij [eiser] hairextensions aangebracht. [eiser] heeft tijdens deze behandeling haar twijfels geuit over het resultaat, waarna [gedaagde] een deel van de geplaatste hairextensions heeft vervangen door hairextensions met een andere structuur.
3.2.
[eiser] heeft via WhatsApp-bericht van 23 december 2025 te 20.11 uur aan [gedaagde] bericht dat zij nog steeds niet tevreden is over het resultaat. Zij deelt hierover -voor zover van belang- het volgende aan [gedaagde] mede: “
Ik ben helaas nog steeds niet tevreden over het resultaat. De lengte is veel korter dan wat we hadden besproken (70 cm en het is nu bijna net zo lang als wat ik zelf had) de textuur past niet goed bij mijn eigen haar het is erg droog en pluizig zelf is me eigen haar aan de boven kant minder krul maar me eigen haar valt niet zo pluis en droog, het is vooral bij de onderste banen het geval. Daarnaast is er veel stukken ongelijk en vind ik het aan de onderkant en zijkanten leeg.”. [eiser] heeft hierop aan [gedaagde] verzocht om een afspraak te maken om de door [gedaagde] aangebrachte hairextensions te verwijderen.
3.3.
[gedaagde] heeft hierop via WhatsApp-bericht van gelijke datum (te 21:38 uur) -onder meer- het volgende aan [eiser] kenbaar gemaakt:”
De kwaliteit van de extensions zelf is goed en er is geen sprake van een productfout. Om die reden kan ik het haar niet terugnemen of vergoeden. Wel wil ik met je meekijken naar styling, verzorging en manieren om het haar mooier te modelleren, zodat je er alsnog het beste uit kunt halen. Wat betreft het verwijderen: dit kan uiteraard, maar valt buiten garantie en zal als dienst worden berekend.”
3.4.
[eiser] heeft, na uitwisseling van meerdere WhatsApp-berichten, op 24 december 2025 te 14:59 uur -voor zover van belang- het volgende aan [gedaagde] bericht: “
De behandeling is niet conform geleverd en het resultaat is voor mij letterlijk niet draagbaar. Dit moet binnen redelijke termijn worden opgelost. Ik ontvang daarom graag binnen 48 uur een inhoudelijke reactie of een concreet voorstel tot oplossing. Daarna ben ik genoodzaakt verdere stappen in gang te zetten.”.
3.5.
[gedaagde] heeft via Whatsapp-bericht van 25 december 2025 te 07:55 uur het volgende aan [eiser] bericht: “
Zoals eerder aangegeven heb ik de kwestie bij mijn advocaat neergelegd. In verband met de feestdagen zijn wij, evenals mijn advocaat gesloten. Een inhoudelijke reactie binnen 48 uur is daarom niet mogelijk. U ontvangt 27 december onze reactie. Wij verzoeken dit af te wachten.”. [eiser] heeft hierop via Whatsapp bericht van gelijke datum (te 08:52 uur) het volgende aan [gedaagde] bericht: “
Ik neem kennis van uw reactie en wacht uw inhoudelijke reactie op 27 december af.”.
3.6.
[eiser] heeft op 26 december 2025 de hairextensions door een thuiskapster laten verwijderen. [eiser] heeft hiervoor een bedrag van € 75,- aan de thuiskapster voldaan.
3.7.
[eiser] heeft via Whatsapp bericht van 27 december 2025 te 09:03 uur een “
formele ingebrekestelling inclusief betaalgegevens” aan [gedaagde] gezonden.
3.8.
[eiser] heeft bij (aangetekende) brief van 5 januari 2026 de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbonden.
4. Het geschil
4.1.
[eiser] wil dat [gedaagde] € 1.330,00 aan haar (terug)betaalt. Dit bedrag heeft [eiser] aan [gedaagde] betaald voor het aanbrengen van een nieuwe set hairextensions. [eiser] heeft de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbonden, omdat zij vindt dat het resultaat niet overeenkomt met hetgeen zij mocht verwachten. [eiser] heeft op grond van de ontbinding aanspraak gemaakt op terugbetaling van de door [gedaagde] in rekening gebrachte kosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. Zij wil het bedrag van € 1.330,00 niet aan [eiser] terugbetalen, omdat de ontbinding van de overeenkomst niet gerechtvaardigd is. [gedaagde] stelt dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en [eiser] de overeenkomst ook niet kan ontbinden, omdat zij ( [gedaagde] ) niet in verzuim is.
4.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Gemengde overeenkomst
5.1.
De overeenkomst tussen partijen is te kwalificeren als een gemengde overeenkomst. De overeenkomst bevat kenmerken van een consumentenkoop (de koop en levering van hairextensions) en een overeenkomst van opdracht (het aanbrengen van de hairextensions en het knippen en modelleren van het haar). De bepalingen die gelden voor consumentenkoop en voor overeenkomst van opdracht zijn naast elkaar van toepassing. In geval van tegenstrijdigheid tussen die bepalingen prevaleren de bepalingen van consumentenkoop.
Wettelijk toetsingskader voor ontbinding
5.2.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] de tussen partijen gesloten overeenkomst rechtsgeldig mocht ontbinden.
5.3.
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Indien de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is. [1]
Verzuim
5.4.
De kantonrechter overweegt dat in dit geval de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk was. Voor een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst is dan ook vereist dat [gedaagde] in verzuim is.
5.5.
Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. [2]
5.6.
Gesteld noch gebleken is dat [eiser] [gedaagde] op de hiervoor genoemde wijze in gebreke heeft gesteld. [eiser] heeft weliswaar op 27 december 2025 een door haar genoemde “formele ingebrekestelling inclusief betaalgegevens” aan [gedaagde] gezonden, maar in deze brief wordt geen redelijke termijn voor nakoming gesteld. Voor zover [eiser] -in deze brief- stelt dat nakoming niet meer mogelijk is, omdat zij de hairextensions door een derde heeft laten verwijderen overweegt de kantonrechter dat dit niet aan [gedaagde] kan worden tegengeworpen. [eiser] had alvorens de hairextensions te laten verwijderen [gedaagde] schriftelijk in de gelegenheid moeten stellen om de overeenkomst alsnog deugdelijk na te komen. Dit geldt temeer omdat [eiser] , zoals tussen partijen was afgesproken, de inhoudelijke reactie van [gedaagde] zou afwachten, alvorens verdere stappen te ondernemen.
5.7.
Het verzuim kan zonder ingebrekestelling intreden indien een voor de voldoening bepaalde termijn is verstreken, de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of schadevergoeding of de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze de verbintenis niet zal nakomen [3] .
5.8.
De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst geen fatale termijn zijn overeengekomen en de verbintenis ook niet voortvloeit uit onrechtmatige daad of schadevergoeding. Ook is gesteld noch gebleken dat [eiser] uit een mededeling van [gedaagde] heeft kunnen afleiden dat [gedaagde] de verbintenis niet zal nakomen. Voor zover [eiser] stelt dat [gedaagde] op 23 december 2025 aan haar heeft medegedeeld dat zij de hairextensions niet kan terugnemen of vergoeden overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] hiermee niet heeft gezegd dat zij de verbintenis niet zal nakomen. [gedaagde] heeft juist in datzelfde bericht aan [eiser] medegedeeld dat zij bereid is om te kijken naar styling, verzorging en manieren om het haar mooier te modelleren. Door het terugnemen van de hairextensions, zoals door [eiser] is voorgesteld, kan [gedaagde] de overeenkomst juist niet meer deugdelijk nakomen.
5.9.
De situatie was ook niet zodanig dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kon blijven [4] en [gedaagde] zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt.
5.10.
[eiser] stelt dat zij er geen vertrouwen meer in had dat [gedaagde] alsnog deugdelijk zou nakomen. Dat zij geen vertrouwen meer in [gedaagde] had blijkt ook uit de inhoud van haar WhatsApp-bericht van 23 december 2025 te 20.11 uur, waarin [eiser] het volgende aan [gedaagde] heeft bericht: “ (..)
ik wil ook netjes betalen voor de diensten wat u verricht heeft uiteraard zoals het knippen en installeren etc, maar niet voor het haar helaas. Ik hoop dat wij snel een afspraak kunnen maken om het dan ook te verwijderen, want ik ga er vanuit dat het er niet veel beter op word? En ik denk dat dit ook te veel gedoe voor u gaat worden aangezien we 2de keer al wat anders hebben geprobeerd. (..) Ik hoop dat we hier samen in uit kunnen komen.”
5.11.
Het enkele feit dat [eiser] het vertrouwen in [gedaagde] miste is onvoldoende om [gedaagde] niet alsnog gelegenheid te geven om de overeenkomst deugdelijk na te komen.
5.12.
Voor zover [eiser] stelt dat zij op dat moment veel pijn ervaarde en zij om die reden de hairextensions op 26 december 2025 door een derde heeft laten verwijderen overweegt de kantonrechter dat [eiser] dit eerst tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht en ook uit de overgelegde stukken niet blijkt dat [eiser] dit (eerder) aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt.
Conclusie
5.13.
Er is geen sprake van verzuim. De vraag of er sprake is van een tekortkoming, zoals door [eiser] is gesteld en [gedaagde] gemotiveerd heeft weersproken, kan hierdoor ook niet beantwoord worden. Het vorenstaande betekent dat [eiser] de overeenkomst met [gedaagde] niet kon ontbinden en er ook geen recht bestaat op (terug)betaling van de door [gedaagde] in rekening gebrachte kosten. De vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.
Proceskosten
5.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten.

6.De beslissing

De kantonrechter als regelrechter:
6.1
wijst de vordering van [eiser] af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 lid 1 en Pro lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 6:82 lid 1 BW Pro
3.Artikel 6:83 aanhef Pro en onder a tot en met c BW
4.Hoge Raad 11-10-2019, ECLI:NL:HR:2019:1581