Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3989

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/3916
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling BPMArt. 10 Wet BPMBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd ondanks taxatierapport na RDW-keuring

Belanghebbende, een V.O.F., deed op 10 mei 2022 aangifte voor de inschrijving van een gebruikte BMW X5 en betaalde daarbij BPM op basis van een taxatierapport dat op 6 mei 2022 was opgesteld, een dag na de RDW-keuring op 5 mei 2022. De inspecteur wees de taxatiemethode af omdat het taxatierapport na het afschrijvingsmoment (de RDW-keuring) was opgesteld en legde een naheffingsaanslag van € 9.954 op.

Belanghebbende voerde aan dat het taxatierapport toch gebruikt mocht worden en stelde dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd was genomen vanwege een mandaatprobleem. De rechtbank oordeelde dat het mandaatverbod niet was geschonden en dat het taxatierapport niet gebruikt kon worden omdat de fysieke opname na het afschrijvingsmoment plaatsvond, conform artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM.

De rechtbank wees het beroep af en bevestigde de naheffingsaanslag. Wel kende zij belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaarprocedure, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Daarnaast werden proceskosten toegekend voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3916

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 juni 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.954 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 10 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X5 met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.940.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Het taxatierapport is gedateerd op 10 mei 2022. In het rapport is vermeld dat de auto door de taxateur op 6 mei 2022 is geschouwd.
4.2.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de schouw door de taxateur heeft plaatsgevonden na goedkeuring van de auto door de RDW. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 11.894 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen.
Mandaatverbod
5.1.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
5.2.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat [persoon 3] de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.
5.3.
Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door zijn handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.
De taxatiemethode
5.4.
Tussen partijen staat vast dat het moment waarop de auto door de RDW is gekeurd, het afschrijvingsmoment, 5 mei 2022 is, en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport in opdracht van belanghebbende op 6 mei 2022 heeft plaatsgevonden. Hiermee staat vast dat de fysieke schouw van de auto een dag na de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat het taxatierapport ook is opgemaakt na de keuring bij de RDW.
5.5.
Belanghebbende stelt dat zij, hoewel de fysieke opname heeft plaatsgevonden na de keuring bij de RDW, toch aangifte mocht doen met gebruikmaking van de taxatiemethode. Volgens haar kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM niet zo worden gelezen dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto is geschouwd één dag na de keuring bij de RDW. Steun voor die opvatting vindt belanghebbende in overweging 4.6.5 van het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025. [1] Volgens haar komt de andersluidende opvatting van de inspecteur in strijd met de doelstelling van de wetgever, en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
5.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op die regeling is hierover verder het volgende vermeld:
“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.” [2]
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van Pro de Wet BPM. Gelet op de door de staatssecretaris gegeven toelichting, kan artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld na het afschrijvingsmoment, ook al is dat maar één dag. Die lezing druist gelet op de feiten en omstandigheden van het geval naar het oordeel van de rechtbank niet in tegen enig rechtsbeginsel. Daarbij weegt mee dat belanghebbende niet heeft aangegeven wat maakt dat de auto door de taxateur pas na de RDW goedkeuring is geschouwd. Dat het buiten beschouwing laten van haar taxatierapport in dit geval tot een onevenredige uitkomst leidt, is reeds daardoor niet aannemelijk geworden. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.
Hoogte naheffingsaanslag
5.8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
5.9.
Belanghebbende heeft op 22 augustus 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 15 juli 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 22 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
5.11.
Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt 6/22e deel, derhalve € 545,45 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.454,55 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [4] maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 545,45;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.454,55;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

2.Besluit van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821 (Stcrt. 2021, 48636, p. 36).
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.