ECLI:NL:RBZWB:2026:40

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
11838174 CV EXPL 25-2647
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand met betalingsvoorwaarden

In deze zaak vordert verhuurder Thuisvester de ontbinding van de huurovereenkomst met huurder wegens niet-betaling van huur. Huurder had vanaf februari 2025 tijdelijk geen inkomen, waardoor een huurachterstand ontstond. Huurder heeft zich aangemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening en betaalt de lopende huur weer, maar de achterstand blijft bestaan.

Tijdens de mondelinge behandeling spreken partijen af dat de ontbinding van de huurovereenkomst voorwaardelijk wordt toegekend, waarbij de ontbinding pas ingaat als huurder zich niet houdt aan bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden betreffen tijdige betaling van de lopende huur, naleving van schuldhulpverlening en voortzetting van budgetbeheer.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand van meer dan drie maanden een tekortkoming vormt die ontbinding rechtvaardigt en wijst de ontbinding voorwaardelijk toe. Huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van €3.345,74 en de proceskosten van €1.135,45. Bij niet-naleving van de voorwaarden binnen 18 maanden volgt ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden en huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en proceskosten met oplegging van voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11838174 \ CV EXPL 25-2647
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
STICHTING THUISVESTER,
gevestigd in Oosterhout,
eisende partij,
hierna te noemen: Thuisvester,
gemachtigde: GGN Brabant,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

In deze zaak gaat het over de ontbinding van een huurovereenkomst. Volgens Thuisvester heeft [gedaagde] zijn huur niet betaald. Daarom wil Thuisvester dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. Ook wil Thuisvester dat [gedaagde] de openstaande huurachterstand betaalt. [gedaagde] heeft vanaf februari 2025 enige tijd geen inkomen gehad, daardoor is een achterstand ontstaan. [gedaagde] heeft zich gemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening voor hulp. Hij betaalt de lopende huurtermijnen weer. Desondanks bestaat er nog wel een achterstand. Tijdens de mondelinge behandeling komt de mogelijkheid om aan de ontbinding van de huurovereenkomst nadere voorwaarden te verbinden ter sprake. Daar kunnen beide partijen zich in vinden. De huurovereenkomst wordt pas ontbonden als [gedaagde] zich niet houdt aan de voorwaarden. De kantonrechter wijst de ontbinding van de huurovereenkomst dan ook voorwaardelijk toe. Ook moet [gedaagde] de huurachterstand betalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 juli 2025 met producties;
- de mondelinge reactie van 20 augustus 2025;
- de brief van 3 september 2025 waarbij een mondelinge behandeling is gepland;
- de op 9 december 2025 tijdens de mondelinge behandeling ontvangen aanvullende stukken van [gedaagde];
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 9 december 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De beoordeling

3.1.
Na bespreking van de zaak geven partijen aan het eens te zijn geworden over het volgende:
De huurachterstand berekend tot de maand december bedraagt € 3.345,74;
[gedaagde] is geen wettelijke rente verschuldigd;
[gedaagde] is geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd;
[gedaagde] moet de proceskosten betalen. De proceskosten worden vastgesteld op € 1.135,45.
3.2.
Thuisvester wijzigt haar geldvordering tot hetgeen [gedaagde] op grond van de voornoemde afspraken verschuldigd is. Daarnaast hebben partijen tijdens de gehouden mondelinge behandeling afspraken gemaakt over de gevorderde ontbinding en ontruiming. Thuisvester wijzigt haar vordering in die zin dat zij nu nog verzoekt de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken, onder de voorwaarden zoals tussen partijen ter zitting is overeengekomen. [gedaagde] verzet zich niet tegen de toewijzing van de gewijzigde vordering. De kantonrechter overweegt dat deze vorderingen, zoals op de zitting gewijzigd, toewijsbaar zijn. De huurachterstand was ten tijde van dagvaarden meer dan drie maanden huur. Daarmee is sprake van een tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Van bijzondere woonbelangen van [gedaagde] is niet gebleken.
3.3.
De afspraken luiden als volgt. Partijen verklaren het eens te zijn geworden over een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning indien en zodra [gedaagde] binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, handelt in strijd met de hierna te noemen voorwaarden:
  • [gedaagde] betaalt de lopende huurtermijnen vóór de 15e van elke maand;
  • [gedaagde] houdt zich aan de aanwijzingen van de schuldhulpverlening;
  • [gedaagde] blijft onder budgetbeheer bij Verder.
3.4.
Daarbij geldt wel, dat als ten minste één van de hiervoor genoemde voorwaarden tot ontbinding van de huurovereenkomst intreedt, aan [gedaagde] een redelijke termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis wordt geboden om het gehuurde te ontruimen.
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Thuisvester worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
Totaal
1.135,45

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Thuisvester te betalen een bedrag van € 3.345,74 aan huur tot december 2025;
4.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan [adres] te [plaats] en veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich van de kant van de [gedaagde] in en om het gehuurde bevinden te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Thuisvester te stellen,
indien en zodra binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, aan ten minste één van de volgende voorwaarden niet wordt voldaan:
  • [gedaagde] betaalt de lopende huurtermijnen vóór de 15e van elke maand;
  • [gedaagde] houdt zich aan de aanwijzingen van de schuldhulpverlening;
  • [gedaagde] blijft onder budgetbeheer bij Verder;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.135,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.