Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4007

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
24/6980
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser, voormalig leerling stoffeerder, vroeg een WIA-uitkering aan wegens psychische en fysieke klachten sinds 3 maart 2021. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.

De rechtbank beoordeelde het medisch dossier, inclusief rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). De arts constateerde diverse fysieke en psychische klachten, maar oordeelde dat deze niet voldeden aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts b&b bevestigde dit oordeel en handhaafde een urenbeperking vanwege EMDR-behandelingen.

Eiser voerde aan dat zijn psychische klachten en de impact van EMDR-behandelingen onvoldoende waren meegewogen, maar de rechtbank vond dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen niet waren onderschat. Ook het verzoek om een deskundige psychiater werd afgewezen.

De arbeidsdeskundige van het UWV stelde geschikte functies vast voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid, wat leidde tot een percentage van 17,53%. Omdat dit onder de 35% ligt, is er geen recht op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de uitkering blijft staan.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht de WIA-uitkering geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6980 WIA

uitspraak van 8 mei 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[bewindvoerder] B.V. in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.Z.U. Virágh),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als leerling stoffeerder. Voor dat werk is hij uitgevallen op 3 maart 2021 vanwege psychische en fysieke klachten.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 24 november 2022 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 14 juli 2023 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens het UWV mr. A.P.J. Mijs.
Beoordeling door de rechtbank
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
5. In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser op de datum in geding (1 maart 2023) medische beperkingen had en in hoeverre hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat was om met arbeid inkomsten te verwerven.
Medische beoordeling
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1
De arts heeft het dossier bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur van 3 juli 2023. De arts heeft eiser lichamelijk en psychisch onderzocht. De arts heeft gerapporteerd dat eiser op medisch vlak bekend is met reactie op ernstige stress, rugpijn aspecifiek chronisch, fasciitis plantaris rechts (hielspoor aan rechtervoet, peesontsteking aan rechterknie) en spierklacht linker onderarm, nekpijn en knieklachten. De klachten en belemmeringen van eiser voldoen niet aan de criteria van ‘geen benutbare mogelijkheden’ (GBM) conform het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Eiser is namelijk niet bedlegerig, niet opgenomen in een ziekenhuis of een instelling, niet afhankelijk voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en had geen sterk wisselende mogelijkheden. Hierdoor kan niet worden gesteld dat sprake is van een situatie van een medische volledige arbeidsongeschiktheid. Er is volgens de arts wel sprake van medisch objectiveerbare beperkingen die worden aangenomen. De beperkingen op fysiek gebied zijn duurzaam, maar de verbetering bij de andere beperkingen is nog te verwachten, vanwege de EMDR-behandeling die eiser gaat volgen. Volgens de arts is eiser één dag per week niet beschikbaar voor werk in verband met de EMDR-behandeling en het herstel hierna. De arts heeft hierin aanleiding gezien om vanwege verminderde beschikbaarheid een urenbeperking vast te stellen. Het Sociaal medisch oordeel is getoetst en akkoord bevonden door de verzekeringsarts. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 juli 2023.
7.2.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en heeft eiser onderzocht bij de hoorzitting (spreekuur) op 1 mei 2024. De verzekeringsarts b&b heeft aanleiding gezien om de FML aan te passen. De beperking dat eiser aangewezen is op werk waarbij hij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen en beperkt is in omgang met meerdere auditieve prikkels tegelijkertijd, is alleen van toepassing als hij geen gehoorbescherming kan dragen (de toelichting bij aspect 1.8.1 is hiermee aangevuld). Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b een aanpassing gedaan voor wat betreft aspect 2.7 Eigen gevoelens uiten. Dat eiser snel geïrriteerd raakt bij autoritaire houding van derden, komt volgens de verzekeringsarts b&b namelijk niet voort uit ziekte of gebrek, maar is een gevolg van houding en gedrag (de betreffende toelichting bij dit aspect is geschrapt). Ten slotte moesten volgens de verzekeringsarts b&b de EMDR-behandelingen van eiser ten tijde van de datum in geding nog starten, waardoor deze behandelingen geen invloed hebben op de beschikbaarheid voor werk op de datum in geding. In de hernieuwd opgestelde FML van 16 augustus 2024 is de urenbeperking evenwel niet geschrapt.
7.3.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat zijn psychische klachten zijn onderschat. Daarnaast moeten eisers EMDR-behandelingen meegenomen worden in de beoordeling voor de WIA. Ter zitting heeft eiser de rechtbank verzocht om een deskundige te raadplegen.
7.4.
Volgens eiser heeft het UWV ten onrechte geen rekening gehouden met de na de datum in geding gestarte EMDR-behandelingen, omdat de beperkingen die deze behandelingen nodig maakten op de datum in geding al bekend waren. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond, voor zover die uitgaat van de veronderstelling dat er in het geheel geen rekening is gehouden met de betreffende beperkingen, niet kan slagen. De opmerking van de verzekeringsarts b&b waaraan eiser in dit kader refereert, ziet op namelijk slechts op de beschikbaarheid in verband met het al dan niet aannemen van een urenbeperking. Voor zover eiser aanvoert dat er vanwege deze behandelingen een urenbeperking had moeten worden aangenomen, slaagt de beroepsgrond evenmin. Immers, de arts heeft in de FML van 7 juli 2023 een urenbeperking opgenomen omdat eiser een dag per week niet beschikbaar zou zijn voor werk in verband met de behandeling en herstel hierna (zie ook de laatste zin op pagina 7 van het medisch onderzoeksverslag van 7 juli 2023). Hoewel de verzekeringsarts b&b in de rapportage van 16 augustus 2024 lijkt te overwegen dat de urenbeperking ten onrechte was opgenomen, is deze gehandhaafd in de FML van diezelfde datum en is daar dus (wel) rekening mee gehouden.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de arts en verzekeringsarts blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de psychische klachten. De verzekeringsarts b&b heeft de door eiser in het bij de hoorzitting overgelegde dagboek beschreven klachten voldoende bij de beoordeling betrokken. Hoewel verklaarbaar is dat deze klachten impact hebben op het dagelijks functioneren van eiser én daardoor ook erg belastend zijn voor zijn gezinsleden, doet dit er niet aan af dat bij de opstelling van de FML rekening is gehouden met het geobjectiveerde deel van de klachten. De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de belastbaarheid die de arts en verzekeringsarts b&b hebben aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat in de FML van 16 augustus 2024 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden geacht, slaagt daarom niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
7.6.
Ter zitting heeft eiser de rechtbank verzocht om een psychiater als deskundige in te schakelen. De rechtbank ziet daarvoor echter geen aanleiding. Er bestaat namelijk geen twijfel over de diagnose. Het geschil gaat over de ‘vertaling’ van eisers klachten die daaruit voortvloeien naar beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Dat behoort tot de expertise van een verzekeringsarts. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de (verzekerings-)artsen, die – zoals hiervoor overwogen – zijn gebaseerd op zorgvuldig onderzoek waarbij alle medische informatie is betrokken. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om inschakeling van een deskundige daarom af.
Arbeidskundige beoordeling
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker confectie, kleermaker (SBC-code 272042), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel; SBC-code 111160) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten; SBC-code 111180).
8.1
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eisers standpunt dat hij niet in staat is om de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 7.5 heeft geconcludeerd, is die opvatting niet juist. De hiervoor genoemde functies mochten dus worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
9.1
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 17,53%
.Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 1 maart 2023.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert.
10.1
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 8 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.