Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4021

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/5800
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:31 AwbArt. 8:28 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen rechterlijke beslistermijn en dwangsom in bestuursrechtelijke procedure gemeente Dongen

Opposanten hebben verzet ingesteld tegen de uitspraak van 11 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep gegrond verklaarde en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen een beslistermijn van vier maanden en een dwangsom van €100 per dag oplegde.

De opposanten betwisten de door de rechtbank vastgestelde beslistermijn en de hoogte van de dwangsom, stellende dat het college te laat reageerde en onvoldoende actie ondernam. De rechtbank overweegt dat de omstandigheden van personeelsgebrek en vakantieperiode binnen de risicosfeer van het bestuursorgaan vallen, maar dat het onrealistisch is om de standaardtermijn op te leggen vanwege de complexiteit van de omgevingsvergunningprocedure.

Verder wijst de rechtbank het verzoek af om een hogere dwangsom op te leggen, omdat de aangevoerde weigerachtigheid onvoldoende is onderbouwd en verwijzingen naar andere zaken irrelevant zijn. Ook wordt het verzoek tot vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke dwangsom afgewezen omdat dit niet tijdens de behandeling van het beroep is gevraagd.

De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en bevestigt de eerdere uitspraak, zonder toekenning van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzet tegen de rechterlijke beslistermijn en de opgelegde dwangsom wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5800 V

uitspraak van 8 mei 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant 1] en [opposant 2]uit [plaats], opposanten [1]
tegen de uitspraak van 11 februari 2026 in het geding tussen
opposanten
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, het college.

Procesverloop

1.1.
Bij uitspraak van 30 juni 2023 heeft de rechtbank het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers tegen het besluit van 22 april 2020. [2] Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van 30 juni 2023 bevestigd. [3] Opposanten hebben de rechtbank daarna laten weten dat het college niet heeft beslist op hun bezwaar en dat zij het daar niet mee eens zijn.
1.2.
Bij uitspraak van 11 februari 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard.
1.3.
Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.4.
Opposanten hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard.
2.1.
Niet in geschil is dat het beroep gegrond is. Opposanten zijn het niet eens met de rechterlijke beslistermijn en rechterlijke dwangsom die aan het college is opgelegd. Ook is het verzetschrift gericht tegen het ontbreken van een vaststelling van de bestuurlijke dwangsom.
Discretionaire bevoegdheid van artikel 8:31 van Pro de Awb
3. Opposanten verzoeken een verklaring waarom het verweer van het college is meegenomen in de overwegingen van de rechtbank. Opposanten leggen hierbij uit dat het college niet heeft voldaan aan de indieningstermijn en het verzoek uit de brief van
1 december 2025 van de rechtbank. Met deze brief heeft de rechtbank het college verzocht om alle aan het bestreden besluit voorafgaande stukken toe te sturen. De rechtbank heeft het college een termijn van twee weken gegund om de stukken toe te zenden. Daarbij merken opposanten op dat de rechtbank in deze brief heeft vermeld dat er op grondslag van de beschikbare stukken op het beroep wordt beslist, indien er niet aan het verzoek wordt voldaan. Het college heeft op 19 december 2025 gereageerd op het verzoek van de rechtbank. Opposanten geven aan dat het college hiermee de voorgeschreven termijn van twee weken heeft overschreden. Daarbij stellen opposanten dat de rechtbank in strijd met haar eigen voorgeschreven termijnstelling handelt door de reactie van het college toch mee te nemen in haar uitspraak.
3.1.
Op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb kan de bestuursrechter gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen indien een partij niet voldoet aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 8:28 van Pro de Awb. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid. Dit houdt in dat de rechtbank dus niet verplicht is een gevolgtrekking te maken, maar de vrijheid heeft dit te doen als zij dat in de gegeven omstandigheden aangewezen acht. De rechtbank heeft in dit geval geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid uit artikel 8:31 van Pro de Awb omdat zij alsnog een reactie heeft ontvangen op haar brief van 1 december 2025.
Rechterlijke beslistermijn
4. Het college heeft in het verweerschrift aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn is gelegen in de vakantieperiode, de beperkte personeelscapaciteit en het uitvoeren van nader juridisch onderzoek. Het college heeft gevraagd om een langere beslistermijn, omdat het voornemens is om via een uitgebreide procedure alsnog een omgevingsvergunning te verlenen. Het college streeft ernaar om binnen 4-5 maanden een beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 februari 2026 geoordeeld dat het college een termijn van vier maanden krijgt, omdat het volgen van een uitgebreide procedure voor een omgevingsvergunning geruime tijd in beslag neemt. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de inmiddels verstreken termijn sinds indiening van het verweerschrift.
4.1.
Opposanten zijn van mening dat de omstandigheden die het college in het verweerschrift van 19 december 2025 heeft genoemd, geen rechtvaardiging zijn voor het door de rechtbank verleende uitstel. De rechtbank begrijpt hieruit dat opposanten het niet eens zijn met de opgelegde rechterlijke beslistermijn. Opposanten leggen uit dat volgens vaste jurisprudentie de genoemde omstandigheden van personeelsgebrek en onderbezetting in beginsel binnen de risicosfeer van het bestuursorgaan vallen. Opposanten stellen dat het college een aanzienlijke periode en reële mogelijkheid heeft gehad om een beslissing te nemen op het bezwaar en verzoeken de rechtbank om een beslistermijn op te leggen tot uiterlijk 18 april 2026.
4.2.
Deze verzetsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de stelling van opposanten dat die problemen in beginsel binnen de risicosfeer van het bestuursorgaan vallen, niet afdoet aan het feit dat het onrealistisch en onzorgvuldig is om de termijn uit artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb op te leggen. Dit hangt samenmet de tijd die het volgen van een uitgebreide procedure voor een omgevingsvergunning vergt. De rechtbank heeft daarom met toepassing van het derde lid, een afwijkende beslistermijn bepaald van vier maanden.
Bestuurlijke dwangsom
5. Opposanten merken op dat de rechtbank in de brief van 1 december 2025 het verzoek doet aan het college om een verweerschrift in te dienen waarin onder meer gemotiveerd verklaard wordt of een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb is verbeurd en zo ja tot welke hoogte. Opposanten geven aan dat het college stelt dat de dwangsom is verbeurd maar de hoogte van de dwangsom verzuimt aan te geven. Opposanten geven aan dat een beslissing over de reeds verschuldigde dwangsom ontbreekt in de uitspraak van 11 februari 2026 en wensen dit hersteld te zien. Daarbij verzoeken opposanten de rechtbank in hun verzetschrift om het college te veroordelen tot betaling van de bestuurlijke dwangsom.
5.1.
Deze verzetsgrond slaagt niet. Opposanten hebben de rechtbank tijdens de behandeling van het beroep niet verzocht om vaststelling van de bestuursrechtelijke dwangsom. Tevens overweegt de rechtbank dat artikel 8:55c van de Awb slechts de bevoegdheid geeft tot vaststelling van de bestuurlijke dwangsom. Deze bevoegdheid bevat niet de mogelijkheid om het bestuursorgaan te veroordelen tot betaling ervan.
Rechterlijke dwangsom
6. De rechtbank heeft het college bij uitspraak van 11 februari 2026 een dwangsom opgelegd ter hoogte van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,- . Opposanten zijn van mening dat er een sterkere prikkel nodig is vanwege gebleken weigerachtigheid van het college om tijdig te reageren en te anticiperen op diverse plichten en verzoeken. Opposanten benoemen hierbij het niet tijdig en volledig reageren op de eerdergenoemde brief van 1 december 2025 van de rechtbank. Het college stuurde niet alle gevraagde stukken en verzuimde de hoogte van de dwangsom te vermelden volgens opposanten. Ook geven opposanten aan dat het college geen actie ondernam om hen na acht weken te melden dat er meer tijd nodig bleek te zijn om te beslissen op het bezwaar. Verder benoemen opposanten dat het college niet heeft gereageerd op de twee brieven van de ingebrekestelling. Opposanten verwijzen ook naar de weigerachtigheid van het college om stukken toe te sturen binnen een andere zaak.
6.1.
Indien de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan de uitspraak een dwangsom verbindt wegens het niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan, wordt het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) gehanteerd. Die lijn houdt, kort gezegd, in dat de dwangsom in de regel wordt bepaald op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Pas wanneer er een sterke prikkel nodig is (hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang), legt de rechtbank de hogere dwangsom op van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
6.2.
De rechtbank ziet in hetgeen opposanten hebben aangevoerd geen aanleiding om de hogere dwangsom op te leggen. De door opposanten aangedragen omstandigheden staan los van de vraag of het college bereid is op het bezwaar te beslissen. De verwijzing naar een andere zaak is bovendien niet relevant voor de beoordeling in deze procedure.

Conclusie en gevolgen

7. In wat opposanten hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 11 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
7.1.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 8 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met opposanten worden de indieners van het verzetschrift bedoeld.