Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4028

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
26/1876
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom gemeente Tilburg

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Tilburg op 2 oktober 2025 heeft opgelegd en op 24 februari 2026 in stand heeft gehouden. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het kennelijk ongegrond is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn inmiddels is verstreken en de maximale dwangsommen zijn verbeurd, mede door onduidelijkheid over het indienen van het beroepschrift en de gronden. Hierdoor kan de voorlopige voorziening niet meer voorkomen dat dwangsommen verbeuren, waardoor het geschil feitelijk een financieel geschil is.

Omdat bij financiële geschillen doorgaans geen spoedeisend belang bestaat en verzoeker geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie heeft aangetoond, wordt het spoedeisend belang ontzegd. Verzoeker kan zijn recht alsnog halen via de bodemprocedure. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1876

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het opleggen van een last onder dwangsom. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft met het besluit van 2 oktober 2025 een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft het college deze last in stand gelaten. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld [1] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. In dit geval is de begunstigingstermijn inmiddels verstreken en zijn de maximale dwangsommen verbeurd. Dit is een gevolg van onder andere onduidelijkheid over het indienen van een beroepschrift en de gronden. De voorzieningenrechter kan niet meer voorlopig voorkomen dat dwangsommen verbeuren. Dat maakt dat dit alleen nog een financieel geschil is. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is niet snel sprake van een spoedeisend belang. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Verzoeker is bij brief van 21 april 2026 verzocht om het spoedeisend belang toe te lichten. Verzoeker heeft als reactie daarop alleen gewezen op het feit dat hij tijdig een verzoek heeft ingediend en het griffierecht heeft betaald. Hij geeft aan dat hij niet wil dat zijn recht ontnomen wordt. De voorzieningenrechter ziet daarin geen spoedeisend belang. Verzoeker kan immers alsnog zijn recht halen via de bodemprocedure. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer 26/2057.