ECLI:NL:RBZWB:2026:4032

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/5448 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWArt. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding bij mantelzorg

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering, die door het UWV is afgewezen wegens het niet voldoen aan de wekeneis. Eiseres voerde aan dat zij 31 van de 36 weken had gewerkt, waaronder een periode als mantelzorger voor haar moeder, en dat zij loon ontving. Het UWV stelde dat de mantelzorg niet meetelde omdat er geen gezagsverhouding was, essentieel voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De rechtbank onderzocht of er sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar moeder. Hoewel er zorgovereenkomsten waren, ontbraken daarin essentiële afspraken zoals over werktijden, ziekteverzuim en vervanging. Ook ontbrak objectieve en controleerbare informatie over de feitelijke invulling van de werkzaamheden. De rechtbank vond dat de familierelatie niet leidend mocht zijn en dat het toezicht van de Sociale Verzekeringsbank niet relevant was voor het gezagscriterium.

De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht had geoordeeld dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond en dat eiseres daarom geen WW-uitkering kon krijgen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het griffierecht bleef voor rekening van eiseres.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van de WW-uitkering is ongegrond verklaard wegens ontbreken van een gezagsverhouding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5448 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiseres een WW-uitkering toe te kennen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Met het besluit van 11 september 2025 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen omdat eiseres niet zou voldoen aan de wekeneis. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 september 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt van eiseres
3. Eiseres voert aan dat zij 31 van de 36 weken heeft gewerkt en dus aan de wekeneis voldoet. Van 11 november 2024 tot en met 30 november 2024 heeft zij bij [werkgever] B.V. gewerkt en over de periode van 23 januari 2025 tot en met 4 augustus 2025 als mantelzorger voor haar moeder. De werkzaamheden als mantelzorger zijn uitgevoerd onder toezicht van de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Er is sprake geweest van loonheffing. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft eiseres loonstroken overgelegd.
Standpunt van het UWV
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat de weken waarin eiseres als mantelzorger heeft gewerkt op goede gronden niet zijn meegeteld voor de wekeneis. Er is volgens het UWV geen sprake van verzekeringsplichtige werkzaamheden omdat de gezagsverhouding tussen eiseres en haar moeder ontbreekt. Uit de op 17 april 2025 en 8 mei 2025 gesloten zorgovereenkomsten blijkt onvoldoende van gezag, nu daarin essentiële afspraken ontbreken, zoals over werktijden, overuren, ziekteverzuim, vakantiedagen en vervanging bij verzuim en verlof. Ook de feitelijke uitvoering van de zorgtaken door eiseres biedt voor het UWV onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake was van gezag. Het UWV is niet gebleken dat eiseres opdrachten en aanwijzingen kreeg over de wijze waarop zij haar werkzaamheden moest verrichten of van gezaghebbende controle door moeder op de voortgang en resultaten van zorgtaken van eiseres. Het UWV wijst erop dat aan eiseres na het eindigen van het dienstverband bij [werkgever] B.V. per 2 december 2024 een WW-uitkering is toegekend. Bij de berekening van dit recht zijn de in november 2024 bij [werkgever] B.V. gewerkte weken al meegenomen.
Oordeel van de rechtbank
5. Uit de wet volgt dat iemand verzekerd moet zijn voor de WW om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Dat is het geval als de aanvrager als werknemer kan worden beschouwd in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Daarbij is het de vraag of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. [1]
5.2.
De bewijslast rust op de aanvrager van de uitkering. Het is dus aan eiseres om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
5.3.
Niet in geschil is dat eiseres heeft gewerkt als mantelzorger en daarvoor loon heeft ontvangen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar moeder.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat er ook tussen een ouder en een kind sprake kan zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, is van belang of eiseres aan een zeker gezag van haar moeder was onderworpen en of haar moeder ook bevoegd was om haar opdrachten en instructies te geven en controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van haar werk. Hierbij moet de familierelatie tussen eiseres en haar moeder wel worden betrokken, maar deze relatie mag niet leidend zijn in de beoordeling van de mate van gezag. [2]
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat uit de zorgovereenkomsten tussen eiseres en haar moeder onvoldoende van gezag blijkt. In die zorgovereenkomsten ontbreken namelijk essentiële afspraken over vakantiedagen, vakantietoeslag, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. Weliswaar staan in de zorgovereenkomsten de werkduur in minuten per week vermeld, maar overige afspraken over werktijden zijn daarin niet opgenomen. Daarnaast is de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden wat de bedoeling van partijen was en hoe de feitelijke invulling van de werkzaamheden eruitzag. Met het UWV stelt de rechtbank vast dat eiseres heeft nagelaten hierover objectieve en verifieerbare informatie te verstrekken. Eiseres heeft afgezien van een hoorzitting in bezwaar en is ook niet ter zitting verschenen, zodat zij hierop geen toelichting heeft kunnen geven. Dat de Svb toezicht zou hebben gehouden op de uitvoering van de werkzaamheden, acht de rechtbank niet relevant voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar moeder.

Conclusie en gevolgen

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht geconcludeerd dat er geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar moeder. Dit betekent dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en haar moeder. Eiseres kan hierdoor niet aangemerkt worden als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Dit betekent dat zij geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Het UWV heeft de aanvraag van eiseres dan ook terecht afgewezen.
6.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 15 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:445
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:252