ECLI:NL:RBZWB:2026:4037

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/2434
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd na RDW-keuring na wetswijziging

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €3.061 die door de inspecteur is opgelegd. De naheffingsaanslag is gebaseerd op het feit dat de RDW-keuring van de auto op 6 juli 2023 plaatsvond, na de wetswijziging per 1 juli 2023, waardoor de forfaitaire afschrijvingstabel van na die datum moet worden toegepast.

Belanghebbende voerde aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de RDW de auto vóór 1 juli 2023 zou goedkeuren, mede omdat bij versnelde inschrijving de goedkeuring doorgaans binnen 1 à 2 werkdagen plaatsvindt. De inspecteur stelde dat belanghebbende als professionele autohandelaar bewust kort voor de wetswijziging de aanvraag heeft ingediend en dat de keuring pas op 6 juli 2023 heeft plaatsgevonden.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat de keuring na 1 juli 2023 plaatsvond en de forfaitaire tabel van die datum van toepassing is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat belanghebbende geen handeling of uitlating van de inspecteur heeft gesteld die een in rechte te beschermen vertrouwen rechtvaardigt. Ook een eventuele toezegging van de RDW kan de inspecteur niet binden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag BPM wegens toepassing van de forfaitaire tabel per 1 juli 2023.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2434

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. J. ten Haaf),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.061 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
1.4.
Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 16 januari 2026 om 09.47 uur in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan de gemachtigde van belanghebbende verzonden naar het door de gemachtigde voor dit doel opgegeven emailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat de gemachtigde dit bericht op 16 januari 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 27 juni 2023 een aanvraag gedaan voor de versnelde individuele inschrijving personenauto bij de RDW. De RDW heeft deze aanvraag op dezelfde dag om 16:49 uur per e-mail bevestigd.
4.1.
Belanghebbende heeft op 29 juni 2023 aangifte gedaan. Voor de berekening van de verschuldigde belasting heeft belanghebbende een beroep gedaan op de forfaitaire afschrijvingstabel van vóór 1 juli 2023.
4.2.
De RDW heeft de auto op 6 juli 2023 goedgekeurd.
4.3.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat belanghebbende volgens de inspecteur voor de berekening van de verschuldigde belasting de forfaitaire afschrijvingstabel per 1 juli 2023 had moeten toepassen.

Motivering

4.5.
Belanghebbende stelt dat bij een fysieke keuring de goedkeuring doorgaans op dezelfde dag plaatsvindt en bij een versnelde inschrijving is dit doorgaans 1 tot 2 werkdagen. Belanghebbende mocht erop vertrouwen dat de RDW de auto vóór 1 juli 2023 zou hebben goedgekeurd.
4.6.
De inspecteur stelt dat belanghebbende een professionele autohandelaar is, dat belanghebbende de auto op 16 februari 2023 heeft gekocht en er zelf voor heeft gekozen om zo kort voor de wetswijziging het verzoek bij de RDW in te dienen. Nu de auto is goedgekeurd op 6 juli 2023, is terecht uitgegaan van de tabel per 1 juli 2023, aldus de inspecteur.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag in beginsel terecht opgelegd, aangezien de keuring door de RDW heeft plaatsgevonden na 1 juli 2023 en daarom ook de forfaitaire tabel per 1 juli 2023 van toepassing is. Belanghebbende betwist dit ook niet. De rechtbank overweegt als volgt met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van enige handeling of uitlating van de zijde van de inspecteur waaraan belanghebbende een in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat zij een beroep mocht doen op de tabel van vóór 1 juli 2023. De rechtbank heeft dit ook niet kunnen afleiden uit de gedingstukken. Zelfs als de RDW een toezegging zou hebben gedaan met betrekking tot de verwerkingstijd van de versnelde individuele inschrijving, zou deze toezegging de inspecteur niet kunnen binden. Gelet hierop faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 mei 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).