ECLI:NL:RBZWB:2026:4038

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
23/9503
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM na bezwaar over CO2-uitstoot en taxatiemethode

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 307, opgelegd door de inspecteur vanwege een hogere CO2-uitstoot dan door belanghebbende opgegeven. De inspecteur baseerde de aanslag op een RDW-waarde van 317 gr/km, terwijl belanghebbende een taxatierapport overlegde met 266 gr/km. De inspecteur verklaarde het bezwaar deels gegrond maar handhaafde de aanslag met een beroep op interne compensatie.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur in de beroepsfase andere gronden mag aanvoeren, waaronder interne compensatie, en dat dit niet in strijd is met een goede procesorde. Het taxatierapport van belanghebbende wordt niet geheel terzijde geschoven; er is aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, waardoor de taxatiemethode kan worden toegepast.

De rechtbank stelt echter vast dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 10.500 niet aannemelijk is, mede vanwege hogere kilometerstanden van referentievoertuigen en onvoldoende onderbouwing van waardevermindering. Ook kan niet alle schade worden meegenomen, vooral niet de schade aan velgen en schadeposten die niet duidelijk zijn gekoppeld aan foto’s of die pas na aankoop zijn vastgesteld.

Gelet op deze overwegingen concludeert de rechtbank dat de naheffingsaanslag niet te hoog is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag BPM terecht is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9503

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

V.O.F. [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 307 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [vennoot] (vennoot) en de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 29 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW 7-serie 750Li High Executive met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 838.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 266 gr/km.
4.2.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is de inspecteur uitgegaan van een CO2-uitstoot van 317 gr/km in overeenstemming met hetgeen door de RDW was vastgesteld.
4.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt en gesteld dat de CO2-uitstoot, op haar verzoek, door de RDW is aangepast naar een CO2-uitstoot van 266 gr/km. De inspecteur heeft het bezwaar met betrekking tot de CO2-uitstoot gegrond verklaard, maar de naheffingsaanslag in stand gelaten met een beroep op interne compensatie.

Motivering

Interne compensatie
4.4.
Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur redenen zoekt om de naheffingsaanslag in stand te laten. Voor zover belanghebbende hiermee betwist dat de inspecteur een beroep kan doen op interne compensatie, oordeelt de rechtbank als volgt.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat het de inspecteur in beginsel vrijstaat om bij een geschil over een naheffingsaanslag in de bezwaarfase of voor de rechter ter onderbouwing van die aanslag andere gronden aan te voeren dan hij eerder had gedaan. Dit is slechts anders voor zover een beroep op die gronden ondubbelzinnig is prijsgegeven, of die gronden worden aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde. [1] Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt voor de aanwezigheid van een van deze uitzonderingsgevallen. Gelet hierop mag de inspecteur een beroep doen op interne compensatie.
Toepassing taxatiemethode
4.6.
De inspecteur heeft gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen omdat er diverse formele en materiële gebreken daaraan kleven. Verder heeft de inspecteur betwist dat sprake is van schade. Volgens de inspecteur is de in het taxatierapport opgenomen schade aan te merken als gebruiksschade.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met het door haar overgelegde taxatierapport aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank ziet in het ontbreken van de inkoopfactuur – die in de beroepsfase wel is overgelegd – en de overige standpunten van de inspecteur geen aanleiding om het taxatierapport geheel terzijde te schuiven. De rechtbank zal de standpunten van de inspecteur wel betrekken bij de beoordeling van de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt. Dit brengt mee dat de taxatiemethode kan worden toegepast. Voor dat geval zijn de historische bruto bpm en de historische nieuwprijs niet in geschil.
Handelsinkoopwaarde
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.8.
In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde vastgesteld aan de hand van een marktonderzoek. De taxateur heeft daarbij vier referentievoertuigen van hetzelfde merk in aanmerking genomen uit 2009 met een km-stand variërend tussen 187.524 km en 277.048 km en een gemiddelde verkoopprijs van € 14.000. Verder heeft de taxateur rekening gehouden met een waardevermindering van 25% zodat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast is gesteld op € 10.500.
4.9.
De rechtbank overweegt als volgt. De referentieauto’s hebben een veel hogere kilometerstand dan de auto van belanghebbende, te weten 87.073 km. De rechtbank acht het aannemelijk dat een hogere kilometerstand leidt tot een lagere waarde. Daarnaast is de waardevermindering van 25% niet onderbouwd. Gelet hierop is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze waarde hoger is dan € 10.500.
Waardevermindering in verband met schade
4.10.
In het taxatierapport is rekening gehouden met schade van in totaal € 10.175 (inclusief btw), waarvan € 7.000 in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde.
4.11.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet alle schade in aanmerking worden genomen. Dit geldt met name voor de schade aan de velgen, gelet op de leeftijd en kilometerstand van de auto. Daarnaast is het verband tussen de foto’s en schadebedragen onvoldoende duidelijk gemaakt in het taxatierapport. Verder neemt de rechtbank de inkoopfactuur in aanmerking. De stelling van belanghebbende dat de omstandigheid dat het inkoopbedrag hoger is dan de waarde opgenomen in het taxatierapport, te verklaren is doordat de omvang van de schade pas na aankoop van de auto is gebleken, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat alle schade in aanmerking kan worden genomen. Ook de in de beroepsfase overgelegde factuur van € 3.196,39 (exclusief btw) maakt dit niet anders, aangezien deze factuur pas is opgemaakt op 10 mei 2023 en dus niet kan dienen ter onderbouwing van de waarde op de datum van de keuring van de RDW.
Conclusie
4.12.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat moet worden vastgesteld op een zodanig bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde bpm leidt, aangezien een handelsinkoopwaarde van tenminste € 4.776 reeds tot die conclusie zou leiden. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze op een lager bedrag moet worden vastgesteld. Dit brengt mee dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 mei 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822.