Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op een landgoed en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €1.135.000 per 1 januari 2024, terwijl belanghebbende een lagere waarde van €1.065.000 bepleitte. De rechtbank beoordeelde het beroep op 1 april 2026.
De rechtbank constateerde een schending van het motiveringsbeginsel omdat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar niet op alle grieven was ingegaan, met name over de landgoedverplichting. Deze schending werd echter gepasseerd omdat belanghebbende niet benadeeld was en het besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Een pleitnota van de heffingsambtenaar werd buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening.
De waarde van de woning werd vastgesteld met de vergelijkingsmethode aan de hand van referentiewoningen. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat de heffingsambtenaar de verschillen tussen de woningen inzichtelijk had gemaakt. Belanghebbende stelde dat een deel van de grond onterecht was meegenomen en dat een cultuurgrondvrijstelling en landgoedverplichting een waardedrukkend effect hadden, maar deze stellingen werden niet gegrond verklaard.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB niet te hoog waren vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Wel werd bepaald dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht aan belanghebbende moest vergoeden.