Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 SrArt. 311 Sr lid 1 sub 4
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor gezamenlijke fietsendiefstal met voorwaardelijke gevangenisstraf en begeleiding
Op 3 mei 2025 werd een oma-fiets gestolen bij een supermarkt in Tilburg. Verdachte werd samen met een ander aangewezen als dader op basis van camerabeelden en herkenning door twee verbalisanten die verdachte goed kennen. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte samen met een ander de diefstal pleegde.
Verdachte heeft een uitgebreid strafblad met veel recidive, vooral op het gebied van vermogensdelicten. Hoewel hij voldoet aan de criteria voor een ISD-maatregel, krijgt hij een laatste kans met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Dit omdat hij voor het eerst hulp en begeleiding krijgt via schorsingsvoorwaarden, waaronder begeleid wonen, behandeling en schuldhulpverlening.
De rechtbank vindt het belangrijk dat deze hulp wordt voortgezet om verdachte de kans te geven zijn leven te verbeteren. Sinds de schorsing zijn geen nieuwe verdenkingen tegen hem gerezen. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer meldplicht bij de reclassering, behandeling voor verslavings- en psychosociale problematiek, en controles op middelengebruik.
De rechtbank legt de straf op als stok achter de deur om naleving van de voorwaarden te waarborgen. Verdachte wordt vrijgesproken van wat meer of anders is ten laste gelegd. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-244036-25
vonnis van de meervoudige kamer van 12 mei 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Marokko)
thans verblijvende bij RIBW te [locatie] , locatie: [groep]
raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg
1.Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 april 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,
mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2.De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander een fiets heeft gestolen.
3.De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gemotiveerd vrijspraak bepleit. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op 3 mei 2025 is de oma-fiets van [slachtoffer] bij de Jumbo aan [straat] te Tilburg gestolen. De rechtbank is van oordeel dat het verdachte is geweest die samen met een ander deze fiets heeft gestolen. In het dossier bevinden zich camerabeelden waarop is te zien dat een manspersoon de betreffende fiets uit het fietsenrek pakt en klaarzet voor een vrouw, die er vervolgens op wegfietst. Van deze twee personen is via de e-mail een foto aan het gehele politieteam Tilburg-Centrum verstuurd met de vraag of iemand deze twee personen herkende. Hierop hebben twee verbalisanten proces-verbaal opgemaakt, waarin zij relateren dat zij de manspersoon als verdachte herkennen. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen reden tot twijfel aan deze herkenningen, ook niet als gevolg van de inmiddels gerezen verdenking in een strafzaak tegen één van deze verbalisanten. De rechtbank toetst immers zelf op basis waarvan de herkenningen tot stand zijn gekomen. Daarover relateren beide verbalisanten dat zij vanuit hun werkzaamheden regelmatig contact met verdachte hebben gehad en hem daardoor goed kennen. Weliswaar bevat het dossier ook stukken van een andere fietsendiefstal maar uit beide processen-verbaal blijkt duidelijk dat het om herkenningen van de dader van onderhavige fietsendiefstal gaat. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde fietsendiefstal.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 3 mei 2025 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, een oma-fiets, die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5.De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6.De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Ondanks dat verdachte voldoet aan de criteria voor oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD-maatregel) krijgt hij met deze eis een laatste kans om te laten zien dat hij op het rechte pad kan blijven.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij bewezenverklaring aan verdachte slechts één maand voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Wat verdachte tot nu toe heeft laten zien in de begeleiding in het kader van de schorsingsvoorwaarden is al heel wat voor hem en positief te noemen. Belangrijk is ook dat er in de afgelopen zes maanden geen nieuwe verdenkingen zijn ontstaan.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een fietsendiefstal. Zulke feiten veroorzaken schade, overlast en ergernis voor de eigenaar. Met het plegen van deze diefstal heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendom en heeft hij enkel gehandeld in zijn eigen belang.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat er sprake is van veelvuldige recidive. Verdachte is in de afgelopen jaren meerdere malen veroordeeld onder meer voor vermogensdelicten waaronder fietsendiefstallen. Met zijn strafblad voldoet verdachte op dit moment aan de criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel. De rechtbank houdt hiermee in strafverzwarende zin rekening.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook acht geslagen op het over verdachte opgestelde reclasseringsadvies van 14 april 2026. Hierin komt onder meer naar voren dat er sprake is van problemen op het gebied van huisvesting, financiën, dagbesteding, psychosociaal functioneren en houding. Ondanks de ontkenning door verdachte, zijn er ook vermoedens van overmatig alcoholgebruik. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Verdachte voldoet weliswaar aan de juridische criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel maar het reclasseringscontact in het kader van het schorsingstoezicht verloopt redelijk waarbij verdachte motivatie tot gedragsverandering laat zien. Nu verdachte niet eerder zorg- of begeleidingstrajecten heeft gehad, wil de reclassering verdachte daarom een kans bieden om zich binnen een voorwaardelijke straf te bewijzen dat hij de neerwaartse spiraal waarin hij zich al geruime tijd begeeft, wil doorbreken. In het kader van de schorsende voorwaarden kan verdachte vanaf week 16/17 van 2026 begeleid gaan wonen bij het RIBW en van daaruit kan verder worden gewerkt aan de andere leefgebieden. Geadviseerd wordt om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met een mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het hebben van een dagbesteding en het werken aan de aflossing van schulden.
Ter zitting heeft de reclasseringswerker nader toegelicht dat verdachte sinds 21 april 2026 bij het RIBW verblijft. Hij komt de meldplichtafspraken redelijk goed na waarbij hij soms te laat is, maar meestal wel verschijnt. Wanneer aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, komt alle ingezette hulp te vervallen, zoals het verblijf bij het RIBW en de ambulante begeleiding waarbij hij goed lijkt aan te haken. Geadviseerd wordt het verloop van het toezicht en de hulpverlening voort te zetten en af te wachten.
De straf
Vaststaat dat verdachte veelvuldig recidiveert en dat de vele veroordelingen die reeds hebben plaatsgevonden niet hebben gezorgd voor een gedragsverandering die hem hiervan zou moeten weerhouden. Daar ligt de instabiliteit op veel leefgebieden aan ten grondslag. Gebleken is echter dat aan verdachte hiervoor in het kader van een voorwaardelijke straf nooit eerder hulp en begeleiding is geboden, zoals hij die nu in het kader van de schorsingsvoorwaarden krijgt. Hoewel het nog te kort dag is om te kunnen concluderen dat de geboden hulp en begeleiding daadwerkelijk van de grond komt, acht de rechtbank het toch van belang om dit voort te zetten, zodat verdachte de kans wordt geboden om zijn leven een andere wending te gaan geven. Temeer omdat er sinds de schorsing van verdachte geen nieuwe verdenkingen jegens hem zijn gerezen ter zake van nieuwe strafbare feiten. Voor het bieden van deze kans acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Dat geldt ook voor de hoogte van de gevangenisstraf. Deze is niet alleen gerechtvaardigd vanwege de vele recidive op het gebied van vermogensdelicten, maar ook noodzakelijk als stok achter de deur om verdachte te motiveren zich aan de bijzondere voorwaarden te blijven houden. Naast de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zal de rechtbank toevoegen dat verdachte dient mee te werken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te beheersen van alcohol en verdovende middelen.
7.De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8.De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Diefstal, tezamen en in vereniging gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij verslavingsreclassering Novadic-Kentron op het adres Jan Wierhof 14 te Tilburg;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door verslavingszorg Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek, crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
* dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij het RIBW of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start in week 16/17 van 2026. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
* dat verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen; Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs, en lijst II softdrugs en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mr. J.F.C. Janssen en mr. D.M. Snoep, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 mei 2026.
Mr. Wijffels is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 3 mei 2025 te Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een oma-fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; ( art 311 lid 1 ahfPro/sub 4 Wetboek van Strafrecht )