ECLI:NL:RBZWB:2026:4055

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/1627
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV tot tijdige beslissing herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en legt dwangsom op

Stichting GGz Breburg heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het UWV niet tijdig heeft beslist op een aanvraag tot herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid van een ex-werknemer. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat de ingebrekestelling op 7 april 2025 is ontvangen, waarna twee weken zijn verstreken zonder besluit.

Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten is aan beperkte capaciteit van verzekeringsartsen en dat de herbeoordeling wordt gecombineerd met een eerdere procedure. De rechtbank oordeelt echter dat de zaken niet voldoende samenhangen om één termijn te hanteren en legt daarom een nieuwe termijn op.

De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen vier maanden na verzending van de uitspraak alsnog moet beslissen en legt een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet het UWV het griffierecht en proceskosten van €467 aan eiseres vergoeden. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen op de aanvraag en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1627

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

Stichting GGz Breburg Groep, uit Tilburg, eiseres

(gemachtigde: drs. H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 19 april 2024 tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [persoon] , een (ex-)werknemer van eiseres.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 4 april 2025 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 7 april 2025 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het UWV geeft in het verweerschrift van 1 april 2026 aan dat de beslistermijn is overschreden wegens een beperkte capaciteit aan verzekeringsartsen. Hierdoor heeft de herbeoordeling door de afdeling sociaal medische zaken nog niet plaatsgevonden. Tevens verzoekt het UWV de rechtbank om rekening te houden met een eerdere uitspraak van
11 maart 2026. [2] Deze uitspraak ziet op het beroep dat eiseres heeft ingesteld wegens niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van 23 september 2024 inzake dezelfde (ex-)werknemer. Het UWV stelt dat dat feitelijk dezelfde herbeoordeling betreft als in de onderhavige procedure en dat het opnieuw stellen van een termijn, met een gerechtelijke dwangsom voor het nemen van een beslissing, geen verandering zal brengen in de huidige situatie. Verder geeft het UWV aan dat de afdeling sociaal medische zaken is verzocht om de twee beoordelingen te combineren.
4.3.
Zaken kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan voor die zaken samen slechts één termijn wordt opgelegd en daarmee één rechterlijke dwangsom kan verbeuren. [3] De rechtbank begrijpt uit het verweerschrift dat het UWV van oordeel is dat er sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige beroepsprocedure het uitblijven van een besluit op de aanvraag van 19 april 2024 om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid betreft en dat de beroepsprocedure die heeft geleid tot de uitspraak van 11 maart 2026 ging over het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2024 over het beëindigen van een LGU-uitkering en het toekennen van een LAU-uitkering per 18 december 2024. Hiermee is van een inhoudelijk (nagenoeg) gelijk(tijdig)e beoordeling geen sprake. Dat het UWV voornemens is om het onderzoek voor beide beoordelingen te combineren, maakt dat niet anders. Dit betekent dat er geen sprake is van voldoende samenhangen en de rechtbank ook in de onderhavige procedure een termijn en rechterlijke dwangsom oplegt.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 13 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624, onder rechtsoverweging 5.1.