ECLI:NL:RBZWB:2026:4062
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht besloten geen zitting te houden en heeft het verzoek beoordeeld op basis van de schriftelijke stukken. Verzoekster heeft toegelicht dat zij momenteel geen vast inkomen heeft en geen recht op bijstand, omdat zij over spaargeld beschikt. Haar vaste lasten bedragen €818,01 per maand, met extra kosten voor haar paard en hond.
Uit de toelichting blijkt dat verzoekster ruim €10.000 aan spaargeld heeft, waarmee zij ruim tien maanden haar vaste lasten kan betalen. Hierdoor is geen sprake van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.