ECLI:NL:RBZWB:2026:4062

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/2429
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht besloten geen zitting te houden en heeft het verzoek beoordeeld op basis van de schriftelijke stukken. Verzoekster heeft toegelicht dat zij momenteel geen vast inkomen heeft en geen recht op bijstand, omdat zij over spaargeld beschikt. Haar vaste lasten bedragen €818,01 per maand, met extra kosten voor haar paard en hond.

Uit de toelichting blijkt dat verzoekster ruim €10.000 aan spaargeld heeft, waarmee zij ruim tien maanden haar vaste lasten kan betalen. Hierdoor is geen sprake van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2429

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. De griffier heeft aan verzoekster gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Verzoekster heeft op 6 mei 2026 een schriftelijke onderbouwing gegeven waarom zij van mening is dat er sprake is van spoed. Zij heeft gesteld dat zij op dit moment niet beschikt over een (standaard/vast) inkomen. Ze heeft spaargeld en daarom ook geen recht op een bijstandsuitkering. Door haar vaste lasten neemt haar spaargeld snel af, waardoor zij binnen afzienbare tijd naar verwachting wel in aanmerking zal komen voor bijstand.
6. Uit de door verzoekster gegeven toelichting blijkt dat zij ruim € 10.000 spaargeld heeft. Verder blijkt uit haar toelichting dat haar vaste lasten per maand € 818,01 bedragen. Daar komen dan nog kosten voor haar paard en hond bij (elke 8 weken € 60,--). Gelet hierop kan verzoekster met haar spaargeld een periode van ruim 10 maanden overbruggen. Dat betekent dat er op dit moment geen sprake is van een spoedeisend belang. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 13 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.