ECLI:NL:RBZWB:2026:4083
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen Inrichtingsplan markt Moerdijk
Eiser maakte bezwaar tegen het Inrichtingsplan markt Moerdijk, waarin een maximumaantal standplaatsen per branche is vastgesteld. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het Inrichtingsplan een algemeen verbindend voorschrift (avv) betreft, waartegen geen bezwaar of beroep mogelijk is.
De rechtbank beoordeelde of eiser procesbelang had en concludeerde dat dit het geval was, omdat eiser als vergunninghouder feitelijke gevolgen van het vergunningenplafond kan ondervinden. De rechtbank stelde echter vast dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser, omdat niet zonder twijfel kon worden vastgesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.
De kernvraag was of het Inrichtingsplan een avv of een concretiserend besluit van algemene strekking (cbas) is. De rechtbank oordeelde dat het Inrichtingsplan een avv is, omdat het een zelfstandige, herhaaldelijk toepasbare norm bevat die het maximumaantal standplaatsen per branche regelt. Hierdoor is bezwaar tegen het Inrichtingsplan niet mogelijk.
Eiser stelde dat het college de noodzaak van het vergunningenplafond niet had onderbouwd in het kader van de Dienstenrichtlijn, maar de rechtbank ging hier niet op in omdat het beroep zich beperkte tot ontvankelijkheid. Het beroep werd ongegrond verklaard, het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het Inrichtingsplan wordt ongegrond verklaard omdat het Inrichtingsplan een algemeen verbindend voorschrift is.