Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4085

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
220107719
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke beëindiging PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden na moord

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 mei 2026 besloten tot de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel van een veroordeelde die in 2022 is veroordeeld voor moord. De PIJ-maatregel was aanvankelijk opgelegd voor onbepaalde tijd en verlengd tot november 2025. Na behandeling en positieve ontwikkeling van de veroordeelde, waaronder het volgen van een hbo-opleiding en het onderhouden van een stabiele relatie, is het advies van de kliniek en reclassering om de maatregel voorwaardelijk te beëindigen.

De rechtbank heeft bijzondere voorwaarden vastgesteld die onder meer meewerken aan reclasseringstoezicht, het volgen van ambulante behandeling indien nodig, een contactverbod met de nabestaanden van het slachtoffer, en een locatieverbod binnen de stad waar het slachtoffer is begraven omvatten. De rechtbank weegt mee dat de veroordeelde zich positief heeft ontwikkeld, maar dat risico's bij vermeende afwijzing in intieme relaties blijven bestaan.

De officier van justitie had verzocht om een extra verbod om het graf van het slachtoffer te bezoeken, maar de rechtbank wijst dit af omdat het locatieverbod binnen de stad dit al omvat. De veroordeelde heeft verklaard zich aan de voorwaarden te zullen houden. De rechtbank acht het van belang dat de voorwaarden bijdragen aan de resocialisatie en rekening houden met de gevoelens van de nabestaanden.

Uitkomst: De rechtbank stelt bijzondere voorwaarden vast voor de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel van de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Locatie Breda
Parketnummer: 02-201077-19
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 12 mei 2026
op de vordering van de officier van justitie tot het stellen van bijzondere voorwaarden gedurende de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) van de veroordeelde
[veroordeelde]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003
formeel verblijvende in [kliniek] ,
[adres] ,
Feitelijk verblijvende te [verblijfadres] .

1.Destukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:
- de vordering van de officier van justitie d.d. 3 april 2026 die strekt tot het stellen van bijzondere voorwaarden gedurende voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel;
- het rapport van [kliniek] d.d. 24 februari 2026 waarin het advies van de
inrichting is vermeld;
- de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van veroordeelde;
- het advies van de reclassering van 2 maart 2026 waarin het advies is vermeld.

2.Deprocesgang

Bij beslissing van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 18 mei 2022 is veroordeelde als
schuldig aan moord veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 24 maanden met aftrek
en een PIJ-maatregel. De PIJ-maatregel is op 2 juni 2022 aangevangen. Deze maatregel is laatstelijk bij beslissing van de rechtbank van 11 november 2025 verlengd voor een termijn van zes maanden.
Tijdens het onderzoek in raadkamer van de rechtbank van 7 mei 2026 is de officier van justitie gehoord. Tevens is veroordeelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Houweling, advocaat te Roosendaal. Ook zijn de ouders van veroordeelde gehoord.
Voorts zijn de deskundigen, mw. [persoon 1] , behandelcoördinator en
gedragswetenschapper van de [kliniek] en mw. [persoon 2] van Reclassering Nederland gehoord.
Tot slot is gehoord mw. [persoon 3] van Slachtofferhulp Nederland, die namens de nabestaanden van [slachtoffer] ter zitting een schriftelijke slachtofferverklaring heeft voorgelezen.

3.Het advies van de justitiële jeugdinrichting [kliniek]

Naar het oordeel van [kliniek] dient de PIJ-maatregel niet te worden verlengd, zodat deze maatregel voorwaardelijk eindigt. [kliniek] heeft hierbij middels het advies van 24 februari 2026 en ter zitting aangevoerd dat veroordeelde een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. Veroordeelde heeft middels behandeling tijdens de PIJ-maatregel meer zicht verkregen op zijn eigen functioneren, kan hierop reflecteren en heeft geleerd dit bespreekbaar te maken. Gedurende het scholings- en trainingsprogramma (STP) heeft veroordeelde laten zien deze positieve ontwikkeling ook buiten [kliniek] vast te houden. Veroordeelde woont inmiddels weer thuis bij zijn ouders en is heel gemotiveerd om onder andere met een studie positief vorm te geven aan zijn leven. De hechte band met zijn ouders en broer is hierbij een beschermende factor. Er worden op dit moment weinig risico’s meer waargenomen. De enige risico’s die worden gezien ontstaan op het moment van vermeende afwijzing of verlating in een intieme relatie, hetgeen meespeelde bij het plegen van het delict. Nu een dergelijke situatie niet nagebootst kan worden is niet in te schatten hoe veroordeelde op dit moment in een dergelijke situatie zal handelen. Er zijn op andere vlakken wel situaties van afwijzing geweest, bijvoorbeeld bij het zoeken van werk en het volgen van een opleiding. Gezien is dat veroordeelde hierover goed het gesprek heeft gevoerd en zich positief heeft ontwikkeld in het omgaan met dergelijke situaties. Veroordeelde heeft inmiddels ook een vriendin. Zij is betrokken bij het reclasseringstoezicht en er vindt met haar open communicatie plaats over het verleden en het heden. Gelet op het risico bij vermeende afwijzing of verlating, waarbij de vraag bestaat in hoeverre veroordeelde een dergelijke situatie bespreekbaar maakt, wordt in het kader van een voorwaardelijk jaar het risico als laag tot matig ingeschat. [kliniek] heeft geadviseerd aan de voorwaardelijke beëindiging de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 2 maart 2026 en aangevuld ter zitting.

4.Het advies van de reclassering

De reclassering heeft in haar advies van 2 maart 2026 aangegeven dat zij het advies van [kliniek] om de PIJ-maatregel voorwaardelijk te laten eindigen ondersteunt. Veroordeelde heeft zich gedurende het STP goed laten begeleiden en zich open opgesteld. Gedurende het STP heeft veroordeelde ook een relatie gekregen en hij is hierover direct open en eerlijk geweest richting alle betrokkenen, hetgeen zeer positief is te noemen. Veroordeelde is gegroeid in zijn emotieregulatie en bespreking van spanningen en frustraties, en hij heeft laten zien dat hij zijn positieve ontwikkelingen ook buiten de JJI heeft voort weten te zetten. Ook is gezien dat tussen veroordeelde en zijn vriendin sprake is van een gezonde en positieve relatie waarbij er geen zorgelijke signalen worden waargenomen. Echter, nu zijn vaardigheden bij een vermeende afwijzing of verlating in een intieme relatie niet zijn getoetst, blijven de risico’s hieromtrent bestaan. Gelet op deze risico’s, maar eveneens gelet op de beschermende factoren zoals steunende ouders, een opleiding en huisvesting, wordt het recidiverisico binnen de beoogde omstandigheden van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel ingeschat als laag tot gemiddeld.
De reclassering adviseert om als bijzondere voorwaarden tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel op te leggen dat veroordeelde moet meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerkt aan ambulante behandeling indien dit noodzakelijk wordt geacht, niet naar het buitenland gaat zonder toestemming van de reclassering, dagbesteding zal hebben, zich zal houden aan een contactverbod met de nabestaanden van [slachtoffer] en aan een locatieverbod aangaande de stad [plaats] en aan een locatiegebod.
De reclassering heeft ter zitting voorts nog het volgende opgemerkt en toegevoegd. De reclassering ziet in tegenstelling tot hetgeen in het advies staat opgenomen, geen toegevoegde waarde meer in het opleggen van een verbod voor veroordeelde om naar het buitenland toe te gaan nu zij geen vluchtgevaar ziet en veroordeelde dicht bij de Belgische grens woont, waardoor het verbod (praktisch) snel onbedoeld kan worden overtreden.
Voorts geldt dat op dit moment geen andere/nieuwe behandeling van veroordeelde is geïndiceerd. De bijzondere voorwaarde waarin veroordeelde wordt verplicht tot ambulante behandeling indien dit noodzakelijk wordt geacht, dient enkel te worden opgelegd om de financiering hiervan gemakkelijker te maken om snel behandeling te starten indien dit alsnog nodig wordt geacht. Zodra dit het geval is zal de inhoud van de behandeling worden geconcretiseerd.
De reclassering verzoekt aan het locatieverbod toe te voegen dat met toestemming van de reclassering hiervan kan worden afgeweken, bijvoorbeeld ten behoeve van de rijlessen van veroordeelde, die deels in [plaats] kunnen plaatsvinden.
Tot slot is opgemerkt dat het locatiegebod, zoals opgenomen in het advies, een misslag betreft en dat dit niet als bijzondere voorwaarde dient te worden opgelegd.

5.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting de vordering aangepast en verzocht de bijzondere voorwaarden vast te stellen zoals geadviseerd door de reclassering ter zitting. De officier van justitie vordert hierbij als extra bijzondere voorwaarde op te leggen dat veroordeelde wordt verboden het graf van [slachtoffer] te bezoeken, zoals door de nabestaanden gewenst. Deze bijzondere voorwaarde heeft een symbolische betekenis, omdat het graf binnen de grenzen van de stad [plaats] is gelegen, en veroordeelde alhier niet mag komen.

6.Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen de voorwaardelijke beëindigen van de PIJ-maatregel met het vaststellen van de door de reclassering ter zitting geformuleerde bijzondere voorwaarden. Wel verzet de verdediging zich tegen het opleggen van het verbod om het graf van [slachtoffer] te bezoeken, omdat dit wellicht zou kunnen betekenen dat veroordeelde in de toekomst een mogelijke begrafenis van een naaste op de begraafplaats waar [slachtoffer] ligt door het verbod niet zou kunnen bijwonen. Dit neemt niet weg dat veroordeelde de wens van de nabestaanden het graf niet te bezoeken begrijpt en zal respecteren. Bovendien brengt het locatieverbod aangaande de stad [plaats] al een verbod met zich mee om zich in [plaats] , alwaar [slachtoffer] is begraven, te begeven.

7.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien zij in eerste aanleg heeft kennis genomen van de misdrijven ter zake waarvan de PIJ-maatregel is gelast.
Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat veroordeelde (zijn behandeling tijdens) de PIJ-maatregel en het STP goed heeft doorlopen. Veroordeelde heeft zich positief ontwikkeld op het gebied van emotieregulatie en bespreking van spanningen en frustraties, hetgeen hij ook buiten de RJJI heeft voort weten te zetten. Veroordeelde woont weer bij zijn ouders, heeft een goede dagbesteding door onder meer het volgen van een hbo-opleiding en heeft een gezonde positieve relatie. Er worden geen risicofactoren meer gezien, nagelaten de risico’s die ontstaan bij vermeende afwijzing en/of verlating in een intieme relatie. Een dergelijke situatie kan echter niet worden nagebootst waardoor de vaardigheden en daarmee de daadwerkelijke risico’s niet kunnen worden getoetst. Desondanks acht de rechtbank het van belang dat veroordeelde verder gaat met zijn resocialisatietraject, waarbij hij zich houdt aan de voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering ter zitting. Deze voorwaarden worden ondersteund door [kliniek] . De rechtbank acht het van groot belang dat er bij het formuleren van de bijzondere voorwaarden rekening wordt gehouden met de gevoelens van (on)veiligheid van de nabestaanden, waaronder het verbod om zich te bevinden binnen de grenzen van de stad [plaats] . Hoewel de rechtbank de vordering van de officier van justitie om een extra symbolische bijzondere voorwaarde aangaande een verbod het graf van [slachtoffer] te bezoeken begrijpt, zal zij hiertoe niet beslissen. Ter zitting heeft veroordeelde uitdrukkelijk aangegeven niet het voornemen te hebben om zonder toestemming van de reclassering binnen de grenzen van de stad [plaats] te komen. Dat veroordeelde niet in de stad [plaats] mag komen, houdt dus ook in het verbod om het zich binnen deze stad gelegen graf van [slachtoffer] te bezoeken.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel de hier na te noemen bijzondere voorwaarden te stellen. Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij bereid is om zich tijdens een voorwaardelijke beëindiging te houden aan deze bijzondere voorwaarden.

8.De beslissing.

-
wijst toede vordering tot het vaststellen van voorwaarden tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel, opgelegd aan de veroordeelde voornoemd, in die zin dat deze voorwaarden komen te luiden dat de veroordeelde
met ingang van 13 mei 2026en voor de duur van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel:
algemene voorwaarde:
* zich gedurende de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaarden:
* mee werkt aan toezicht door de reclassering, waarbij ter uitwerking van de rechtswege geldende voorwaarde ‘meewerken aan toezicht van de reclassering’ heeft te gelden dat:
- veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
- veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien;
- veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
- veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is;
- veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
- veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
- veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
- veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht (bijvoorbeeld de vriendin, ouders en school van veroordeelde);
* zich indien noodzakelijk professioneel laat ondersteunen door hulpverlening;
* op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de nabestaanden van [slachtoffer] ;
* zich niet binnen de grenzen van de stad [plaats] bevindt, hiervan kan met toestemming van de jeugdreclassering worden afgeweken;
* zich houdt aan dagbesteding van minimaal 26 uur, waarbij veroordeelde zich houdt aan zijn lesrooster en niet wisselt van school of werkzaamheden zonder expliciete toestemming van de reclassering. Veroordeelde meldt eventueel verzuim op zijn school (door bijvoorbeeld ziekte) diezelfde dag bij de reclassering. Reclassering onderhoudt contact met school over de voortgang van zijn hbo opleiding;
voorwaarden van rechtswege
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken en/of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- draagt Reclassering Nederland op om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.
Deze beslissing is gegeven door mr. I. de Graaf, voorzitter, mr. W. Toekoen en mr. D.M. Snoep, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier J.J. van Dijke en is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
Mr. De Graaf is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.