Op 15 januari 2026 heeft verdachte ongeveer 6930 gram cocaïne vanuit Nederland naar België uitgevoerd. Verdachte, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd preventief gedetineerd en legde een bekennende verklaring af. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte als koerier handelde en een onmisbare schakel vormde in de drugshandel.
De verdediging voerde geen bewijsverweer en vroeg om strafvermindering vanwege volledige medewerking en het feit dat verdachte een first offender is. De rechtbank hield rekening met deze omstandigheden, maar benadrukte ook de schadelijke effecten van de drugshandel en de rol van koeriers daarin.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De straf is passend geacht gezien de ernst van het feit, de beperkte rol van verdachte en zijn spijtbetuiging. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.
De rechtbank sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd en verklaarde dat het bewezenverklaarde feit strafbaar is volgens de Opiumwet. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 15 mei 2026 in Breda.