ECLI:NL:RBZWB:2026:4186

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 mei 2026
Zaaknummer
C/02/444964 / KG ZA 26-74
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gebieds- en contactverboden wegens huiselijk geweld en middelenverslaving

De vrouw vordert gebieds- en contactverboden tegen de man, met wie zij een minderjarige deelt, vanwege een geschiedenis van huiselijk geweld, controle en mishandeling, waaronder een recente mishandeling op 28 januari 2026. De man kampt met een ernstige middelenverslaving en heeft de woning van de vrouw binnengedrongen en beschadigd. De vrouw vreest voor haar en de minderjarige veiligheid en wil geen contact meer met de man.

De man erkent de turbulente relatie en mishandeling, maar betwist de ernst en omstandigheden, en wenst begeleid contact met de minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukt de schadelijke situatie voor de minderjarige en het belang van een veilige omgeving.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er een spoedeisend belang is en dat de gevorderde verboden ingrijpende maar gerechtvaardigde maatregelen zijn gezien het patroon van onrechtmatig handelen en het gevaar voor herhaling. De gebiedsverboden en contactverboden worden toegewezen, met uitzondering van contact op grond van een rechterlijke regeling of begeleide omgang. De dwangsom wordt gematigd tot €250 per overtreding, met een maximum van €5.000. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst gebieds- en contactverboden toe tegen de man wegens huiselijk geweld en middelenverslaving, met een gematigde dwangsom en kostencompensatie.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/444964 / KG ZA 26-74
Vonnis in kort geding van 16 april 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg,
tegen
[de man],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.D.M. Klein Selle te Oisterwijk.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 16;
- de brief met producties 1 en 2 van mr. Klein Selle;
- de brief met producties 3 tot en met 5 van mr. Klein Selle.
1.2
De zaak is besproken op de zitting van 2 april 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de Raad).

2.De feiten

2.1
Tussen partijen staat het volgende vast:
  • zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
  • uit deze relatie is het volgende nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024;
De man heeft [minderjarige] erkend en partijen oefenen het gezamenlijk gezag over haar uit.

3.Het geschil

3.1
De vrouw vordert, na wijziging ter zitting, samengevat:
I. de man te verbieden zich gedurende twaalf maanden te bevinden in het gebied rondom de woning gelegen aan de [adres 1] , welk gebied wordt ontsloten door de volgende straten: [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] en [straat 4] ;
II. de man te verbieden zich gedurende twaalf maanden te bevinden in het gebied rondom de [kinderopvang] ’ van [minderjarige] , aan de [adres 2] , welk gebied wordt ontsloten door de volgende straten: [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] en [straat 4] ;
III. de man te verbieden gedurende twaalf maanden direct of indirect contact in de meest ruime zin des woord te hebben of te onderhouden met de vrouw;
IV. de man te verbieden gedurende twaalf maanden direct of indirect contact in de meest ruime zin des woord te hebben of te onderhouden met [minderjarige] , behalve op grond van een door de rechter vastgestelde contactregeling;
V. de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,= voor iedere keer dat hij niet voldoet aan het gevorderde onder I t/m IV, tot een maximum van € 10.000,=;
VI. de man te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2
De man voert hiertegen verweer.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Gebieds- en contactverboden
4.1
Ter onderbouwing van haar vorderingen tot gebieds- en contactverboden stelt de vrouw het volgende. De man gedroeg zich zeer liefdevol in het begin van de relatie, maar dit veranderde toen zij zwanger van hem raakte. De man begon de vrouw steeds meer te controleren, te isoleren van haar omgeving en haar te vernederen. De relatie kenmerkte zich door dwingende controle en intieme terreur. De man heeft de vrouw meermaals mishandeld (ook tijdens de zwangerschap), als gevolg waarvan de vrouw in een opvang van Sterk Huis heeft verbleven. De man is bovendien strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling van de vrouw. De man kampt met een ernstige middelenverslaving (alcohol en cocaïne), waardoor zijn gedrag onvoorspelbaar is. Eind 2025 is de man de woning van de vrouw nog binnengedrongen en hij heeft herhaaldelijk schade toegebracht aan haar woning. Op 28 januari 2026 is de vrouw, terwijl [minderjarige] op haar schoot zat, ernstig mishandeld door de man. Ook hiervan heeft zij aangifte gedaan. De vrouw is bang voor de man en acht het niet meer veilig om de contactmomenten tussen de man en [minderjarige] te laten plaatsvinden zonder begeleiding door een professional. Zij heeft de man dan ook aangegeven dat zij geen contact meer wil. De man geeft hier echter geen gehoor aan. Alle incidenten hebben een grote weerslag op de vrouw en [minderjarige] . Volgens de vrouw gaat het op dit moment niet goed met [minderjarige] : zij slaat zichzelf, durft niet meer in haar eigen bed te slapen en is erg aanhankelijk. Daar heeft zij hulp bij nodig. De vrouw voelt zich niet veilig in haar eigen woning. Zij vreest voor haar en [minderjarige] ’s veiligheid en leven. Inmiddels heeft de vrouw wel hulp en medicatie. Zij blijft echter bang om de man tegen te komen of dat hij direct of indirect contact met haar zoekt. Ook heeft de vrouw er geen vertrouwen in dat de man van zijn middelenverslaving af komt. Dat heeft het verleden uitgewezen.
Partijen hebben geen vaste afspraken gemaakt ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De man is niet in staat de zorg over haar te dragen, wat hij zelf ook heeft bevestigd tegenover de hulpverlening. Veilig Thuis heeft de casus na het geweld overgedragen aan de [zorginstelling] . [zorginstelling] is in het vrijwillige kader betrokken, maar er is geen specifiek hulpverleningstraject.
Gelet op al het voorgaande en onder verwijzing naar artikel 51 van Pro het Verdrag van Istanbul vordert de vrouw gebieds- en contactverboden. De gevorderde verboden zijn volgens de vrouw gerechtvaardigd. Met het locatieverbod kan de man vrij rond zijn eigen woning bewegen. Het spoedeisend belang van haar vorderingen is gelegen in het feit dat de situatie voor de vrouw ondraaglijk is geworden. Zij vreest dat de gedragingen in ernst zullen toenemen.
4.2
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw. De man betwist dat sprake is geweest van dwingende controle en intieme terreur. De man erkent wel dat de relatie tussen partijen turbulent is geweest, maar zowel de man als de vrouw hebben daar een aandeel in. Op momenten dat partijen niet goed met elkaar communiceren, houdt de vrouw [minderjarige] bij de man weg. Hierop reageert de man zeer actief en dan heeft hij moeite om zijn frustratie in toom te houden. Bij de mishandeling waar de man voor is veroordeeld, was het de vrouw die begon met geweld. Tijdens het incident op 28 januari 2026, dat hij niet ontkent, zat [minderjarige] , anders dan de vrouw stelt, niet bij haar op schoot. Dit wordt door de vrouw alleen maar aangehaald om het contact tussen hem en [minderjarige] te dwarsbomen, aldus de man. De man weet dat een verzoek tot onbegeleid contact op dit moment zinloos is. In een bodemprocedure verzoekt hij wel om begeleid contact met [minderjarige] van minimaal 2 uur per week, waarbij de regie tot uitbreiding bij de begeleidende organisatie ligt, op straffe van een dwangsom. Partijen zijn al vanaf 2023 in beeld van de hulpverlening. De [zorginstelling] heeft laten weten dat [zorgorganisatie 1] en de [zorgorganisatie 2] kunnen helpen bij het opstarten van begeleide omgang als beide ouders hiervoor toestemming geven. Het is, gelet op de leeftijd van [minderjarige] en haar hechting, zeer belangrijk dat zij op regelmatige basis contact heeft met de man. Die wens tot contactherstel is de reden dat de man zich op dit moment wederom actief inzet om zijn verslaving onder controle te krijgen. Hij krijgt hier ook hulp bij, waardoor het middelengebruik al is afgenomen. De man wenst zich duurzaam te laten behandelen.
De door de vrouw gevorderde verboden zijn ingrijpende maatregelen, zodat terughoudendheid op zijn plaats is. Het is aan de vrouw om het gevaar voor herhaling aannemelijk te maken. Volgens de man is dat gevaar er niet. De man is na het incident op 28 januari 2026 niet meer bij de woning van de vrouw geweest. Het is bovendien onduidelijk van wanneer de berichten dateren die door de vrouw in het geding zijn gebracht. In het kader van het gebiedsverbod is nog van belang dat de man wekelijks vrienden bezoekt in de [straat 5] . De man heeft geen probleem met een contactverbod met de vrouw, maar een contactverbod ten aanzien van [minderjarige] kan niet aan de orde zijn. Een contactverbod kan een zorgregeling in de weg staan.
4.3
Hoewel de Raad tijdens de zitting geen advies heeft gegeven over het gebieds- en locatieverbod, heeft de Raad wel aangegeven dat de huidige situatie voor [minderjarige] erg schadelijk is. Zij heeft al meerdere situaties meegemaakt van huiselijk geweld, terwijl zij haar emoties gelet op haar leeftijd nog niet goed kan uiten. De ouders moeten ervoor zorgen dat dergelijke situaties niet meer voorkomen. De ouders moeten, los van elkaar, aan de slag om voor [minderjarige] een fijne omgeving te creëren.
4.4
De voorzieningenrechter buigt zich allereerst over de vraag of de noodzaak bestaat om bij wijze van spoedvoorziening regelingen te treffen en aldus sprake is van een spoedeisend belang. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting het spoedeisend belang vast staat. De man heeft de spoedeisendheid van de vorderingen bovendien niet weersproken.
4.5
Een gebieds- dan wel contactverbod zoals de vrouw vordert, is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen. Dergelijke verboden kunnen alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De voorzieningenrechter moet vervolgens alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dergelijke verboden kunnen worden gerechtvaardigd. Het is daarbij aan de vrouw om het gevaar voor herhaling aannemelijk te maken.
4.6
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is naar objectieve maatstaven sprake van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen gelet op de incidenten in de afgelopen jaren. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende. De man is reeds in 2023 strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling van de vrouw. De man kampt bovendien met een middelenverslaving die maakt dat hij meermaals onvoorspelbaar gedrag heeft laten zien en dat zich meerdere incidenten hebben voorgedaan. Daar komt bij dat de man eind 2025 de woning van de vrouw is binnengedrongen en dat er door zijn toedoen schade is aangericht aan haar woning. Ook is gebleken dat de man zich op verschillende momenten onder andere telefonisch en via whatsapp (zeer) dreigend heeft uitgelaten richting de vrouw, zowel in de periode voor als in de periode na haar bericht aan de man dat zij geen contact meer met hem wenst. Tot slot is er op 28 januari 2026 opnieuw sprake geweest van mishandeling. Hoewel de omstandigheden waaronder die mishandeling heeft plaatsgevonden door de man worden betwist, ontkent hij niet dat hij de vrouw toen heeft mishandeld. Er is dus meermaals sprake geweest van onrechtmatig handelen door de man. In al hetgeen zich in het (recente) verleden heeft voorgedaan, ziet de voorzieningenrechter een patroon. Dat patroon maakt dat naar haar oordeel sprake is van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen. Dat zich de afgelopen weken geen incidenten hebben voorgedaan waarbij de man bij de woning van de vrouw is verschenen, maakt voorgaande dreiging niet anders. Mogelijk heeft dat ook te maken met deze procedure. Voorts geldt de dreiging van onrechtmatig handelen temeer omdat op dit moment (nog) geen sprake is van contact tussen de man en [minderjarige] en de man nog steeds kampt met een middelenverslaving. Daar komt bij dat [minderjarige] zich in een kwetsbare situatie bevindt, waarbij er de afgelopen periode in haar leven door voornoemde incidenten veel onrust is geweest. De conclusie van al het voorgaande is dat het belang van de vrouw en [minderjarige] om zich vrijelijk en zonder angst in de buurt van de woning en de opvang te begeven, prevaleert boven het recht van de man om zich vrij te kunnen verplaatsen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken van een noodzaak of zwaarwegende omstandigheden aan de zijde van de man om zich in het betreffende gebied te bevinden. Daartoe neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de man weliswaar heeft aangevoerd dat hij graag wekelijks vrienden in de [straat 5] wenst te bezoeken, maar dat hij niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat de man zijn vrienden niet ergens anders kan treffen. Dat leidt ertoe dat de gevorderde gebiedsverboden (die beide hetzelfde gebied betreffen) worden toegewezen zoals gevorderd.
Ten aanzien van het gevorderde contactverbod met de vrouw neemt de voorzieningenrechter aanvullend in aanmerking dat de man geen verweer heeft gevoerd. Ook dit verbod wordt gelet op al het voorgaande toegewezen.
Ter zitting is ten aanzien van het gevorderde contactverbod tussen de man en [minderjarige] voorts het volgende besproken. De man is een aparte procedure gestart tot vaststelling van een contactregeling. Het gevorderde contactverbod staat daaraan niet in de weg, nu in het gevorderde een uitzondering wordt gemaakt ten aanzien van een door de rechter vastgestelde contactregeling. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding aanvullend een uitzondering te maken voor het geval dat partijen met behulp van de betrokken hulpverlening (eerder) een begeleide contactregeling overeen komen.
Gelet op al het voorgaande zal het gevorderde als na te melden worden toegewezen.
Dwangsom
4.7
De vrouw vordert de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,= voor iedere keer dat hij de gevorderde verboden overtreedt, tot een maximum van € 10.000,=.
4.8
De man voert hiertegen verweer. De dwangsom dient te worden gematigd in verband met zijn financiële situatie: hij ontvangt een WAJONG-uitkering op het niveau van het bestaansminimum.
4.9
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de dwangsom te matigen tot € 250,= per overtreding, met een maximum van € 5.000,=,
Proceskosten
4.1
De vrouw vordert de man te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.11
Volgens de man dienen de proceskoten te worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.12
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
verbiedt de man zich gedurende een periode van twaalf maanden na betekening van dit vonnis te bevinden en/of te begeven in het gebied rondom de woning van de vrouw en [minderjarige] , gelegen aan de [adres 1] , welk gebied wordt ontsloten door de navolgende straten, zijnde aan de Zuidkant de [straat 1] , aan de Westkant de [straat 2] , aan de Noordkant de [straat 3] en aan de Westkant de [straat 4] ;
5.2
verbiedt de man zich gedurende een periode van twaalf maanden na betekening van dit vonnis te bevinden en/of te begeven in het gebied rondom de kinderopvang van [minderjarige] , genaamd: ‘ [kinderopvang] ’, gelegen aan de [adres 2] , welk gebied wordt ontsloten door de navolgende straten, zijnde aan de Zuidkant de [straat 1] , aan de Westkant de [straat 2] , aan de Noordkant de [straat 3] en aan de Westkant [straat 4];
5.3
verbiedt de man gedurende een periode van twaalf maanden op welke wijze dan ook, direct of indirect, contact in de meest ruime zin des woord (telefonisch, per sms, per e-mail, per sociale media, in persoon, per post, via andere personen enzovoorts) te zoeken, te hebben of te onderhouden met de vrouw;
5.4
verbiedt de man gedurende een periode van twaalf maanden op welke wijze dan ook, direct of indirect, contact in de meest ruime zin des woord (telefonisch, per sms, per e-mail, per sociale media, in persoon, per post, via andere personen enzovoorts) te zoeken, te hebben of te onderhouden met [minderjarige] , behalve voor zover het de man op grond van een door de rechter vastgestelde contactregeling is toegestaan of voor zover partijen met behulp van de betrokken hulpverlening (eerder) in onderling overleg een begeleide contactregeling overeenkomen;
5.5
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere keer dat hij een van de onder 5.1 tot en met 5.4 genoemde verboden overtreedt, tot een maximum van € 5.000,= is bereikt;
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.