In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser en het UWV over de toekenning van een WIA-uitkering. Eiser had in een eerder besluit van het UWV, gedateerd 20 januari 2023, geen uitkering toegekend gekregen, wat hij betwistte. Het UWV verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond in een besluit van 26 juli 2023. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, waarna de rechtbank de zaak op 12 september 2024 heeft behandeld. Tijdens de zitting is eiser bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl het UWV vertegenwoordigd was door een gemachtigde.
De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 8 oktober 2024 geconstateerd dat de motivering van de verzekeringsarts b&b met betrekking tot de beperkingen op lopen en staan onvoldoende was. De rechtbank heeft het UWV de gelegenheid gegeven om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. In reactie hierop heeft het UWV aanvullende rapportages ingediend, maar de rechtbank oordeelde dat de motivering nog steeds niet voldeed. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts b&b onvoldoende onderbouwd had waarom eiser beperkt was in zijn belastbaarheid op de beoordelingspunten lopen en staan.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat eiser recht heeft op vergoeding van het griffierecht en de proceskosten, die door het UWV moeten worden betaald. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 1.868,-. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om hoger beroep in te stellen.