Eiser verzocht om een WIA-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd in een besluit van 20 januari 2023. Na bezwaar verklaarde het UWV dit besluit ongegrond. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank behandelde de zaak en deed op 8 oktober 2024 een tussenuitspraak waarin het UWV werd verzocht de motivering te verbeteren.
Het UWV diende aanvullende rapportages in van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts constateerde forse voetklachten door dunne vezelneuropathie en tarsaal tunnelsyndroom, maar vond de beperkingen op lopen en staan niet sterk genoeg gemotiveerd. De arbeidsdeskundige achtte de functie callcentermedewerker passend, ondanks spraakmoeilijkheden van eiser.
De rechtbank oordeelde dat de motivering van beperkingen op lopen, trappenlopen en staan nog steeds onvoldoende was, mede omdat de medische informatie van de neuroloog dateerde van vóór de datum in geschil en de observaties onvoldoende onderbouwd waren. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf het UWV zes weken de tijd voor een nieuw besluit, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.