ECLI:NL:RBZWB:2026:42

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
23/9242 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de toekenning van een WIA-uitkering en de motivering van beperkingen op lopen en staan

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser en het UWV over de toekenning van een WIA-uitkering. Eiser had in een eerder besluit van het UWV, gedateerd 20 januari 2023, geen uitkering toegekend gekregen, wat hij betwistte. Het UWV verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond in een besluit van 26 juli 2023. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, waarna de rechtbank de zaak op 12 september 2024 heeft behandeld. Tijdens de zitting is eiser bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl het UWV vertegenwoordigd was door een gemachtigde.

De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 8 oktober 2024 geconstateerd dat de motivering van de verzekeringsarts b&b met betrekking tot de beperkingen op lopen en staan onvoldoende was. De rechtbank heeft het UWV de gelegenheid gegeven om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. In reactie hierop heeft het UWV aanvullende rapportages ingediend, maar de rechtbank oordeelde dat de motivering nog steeds niet voldeed. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts b&b onvoldoende onderbouwd had waarom eiser beperkt was in zijn belastbaarheid op de beoordelingspunten lopen en staan.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat eiser recht heeft op vergoeding van het griffierecht en de proceskosten, die door het UWV moeten worden betaald. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 1.868,-. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om hoger beroep in te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/9242 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. I.P.H.M. van Lieshout).

Procesverloop

1.1
In het besluit van 20 januari 2023 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd met ingang van 21 maart 2022 aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.
1.2
In het besluit van 26 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.6
In de tussenuitspraak van 8 oktober 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen 8 weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.7
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak aanvullende motiveringen van een verzekeringsarts bezwaar & beroep (verzekeringsarts b&b) en een arbeidsdeskundige bezwaar & beroep (arbeidsdeskundige b&b) ingediend.
1.8
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 16 oktober 2025 gesloten. De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Overwegingen

2.1
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de verzekeringsarts b&b in zijn rapportage van 10 juli 2023 de belastbaarheid ‘beperkt’ op de beoordelingspunten ‘lopen’, ‘lopen tijdens het werk’, ‘trappenlopen’, ‘staan’ en ‘staan tijdens het werk’, gelet op de eigen bevindingen van de verzekeringsarts b&b en de informatie van de huisarts, onvoldoende gemotiveerd heeft. Ook was onvoldoende gemotiveerd waarom in de FML geen beperkingen waren opgenomen in verband met de beheersing van de Nederlandse taal en de vervoersmogelijkheden in verband met zijn beperkingen op lopen en staan.
Daarnaast was de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige b&b in zijn rapportage van 17 juli 2023 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functie callcentermedewerker (Sbc-code 315174) voor eiser geschikt is. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat eiser op de zitting heeft aangegeven dat hij het Nederlands goed kan verstaan, maar dat hij moeite heeft met spreken. Hij wordt regelmatig niet goed wordt verstaan/begrepen. Dat is ook wat de rechtbank op de zitting heeft geconstateerd, dat eiser moeilijk te volgen is in het Nederlands.
Medische beoordeling
2.2.1
Arts b&b [naam] heeft in voormelde rapportage van 10 juli 2023 onder meer gerapporteerd dat er bij eiser op datum in geding forse voetklachten zijn als gevolg van dunne vezelneuropathie. Bij lichamelijk onderzoek en observatie constateert de verzekeringsarts b&b dat eiser zich zeer moeizaam met behulp van een stok voortbeweegt. Subjectief is er veel pijn bij druk op de voetzolen. Dit is een patroon dat eiser consequent aangeeft. Een dunne vezelneuropathie uit zich in sensibele klachten, bij eiser in forse pijnen in de voeten. Lopen is mechanisch mogelijk maar wordt bij eiser beperkt door een stoornis in de sensibiliteit. De verzekeringsarts b&b ziet geen medische reden om belasting van de voeten helemaal niet mogelijk te achten. Daarbij stelt hij vast dat er wel enige eeltvorming is op de voetzolen. Dat toont volgens de verzekeringsarts b&b aan dat er nog regelmatig druk wordt gezet op de voetzolen door lopen of staan.
2.2.2
Verzekeringsarts b&b [naam] heeft in reactie op de tussenuitspraak in de rapportage van 19 november 2024 gesteld dat een sterk beperkte belastbaarheid op voormelde beoordelingspunten niet te verdedigen is vanuit het onderliggende medische substraat en omdat er discrepanties zijn gevonden bij het medisch onderzoek. Er is bij eiser sprake van dunne vezelneuropathie en een tarsaal tunnelsyndroom waardoor er forse voetklachten bestaan. De dunne vezelneuropathie uit zich bij eiser in forse pijn aan de voeten bij belasting, zoals lopen en staan. Daarbij bestaat er een overlap in symptomen door het tarsaal tunnelsyndroom. Dit syndroom kan gepaard gaan met een brandende of tintelende pijn en/of doofheid in de voetzool. Voor het laatste syndroom heeft de neuroloog een operatie geopperd, maar die heeft niet plaatsgevonden. Dat is volgens de verzekeringsarts b&b opmerkelijk gelet op de forse mate van door eiser aangegeven klachten. De verzekeringsarts b&b stelt dat uit lichamelijk onderzoek blijkt dat eiser met enige regelmaat loopt en staat. Als hij dit niet of nauwelijks zou doen dan zou er geen eeltlaag zijn op zijn voetzolen en enige mate van atrofie zijn waargenomen aan voeten en enkels. Dat was niet het geval. Ook de neuroloog sprak in augustus 2020 van een normale kracht van de extremiteiten, een ongestoorde sensibiliteit bij aanraking en geen atrofie. De verklaring van de huisarts van 7 februari 2023 dat eiser vrijwel niet kan lopen of staan is niet onderbouwd en niet duidelijk is of dit een oordeel van de huisarts is.
Met betrekking tot het vervoer heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat niet wordt betwist dat autorijden en fietsen over langere afstanden een probleem zal vormen, maar dat het gebruik van het openbaar vervoer een geschikt alternatief is. Als een bushalte of treinstation buiten bereik van eiser ligt, kan een vervoersvoorziening overwogen worden.
De verzekeringsarts b&b heeft tot slot gesteld dat er geen aanleiding is een beperking in de FML op de items spreken, schrijven en lezen op te nemen, omdat dit enkel kan worden aangenomen als sprake is van een medische oorzaak en dat is bij eiser niet het geval.
2.2.3
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b hiermee afdoende heeft gemotiveerd waarom beperkingen in verband met de beheersing van de Nederlandse taal en vervoersmogelijkheden niet aan de orde zijn.
Dat geldt niet voor de beperkingen op lopen, trappenlopen en staan. De rechtbank acht de motivering op deze punten nog steeds onvoldoende. De rechtbank betrekt hierbij dat de informatie van de neuroloog van augustus 2020, waarnaar de verzekeringsarts b&b verwijst, van ruim vóór datum in geding 21 maart 2022 is. Daarnaast wordt in deze informatie melding gemaakt van geleidelijk progressieve klachten in het laatste jaar, wat zou kunnen betekenen dat eisers medische situatie sindsdien/op datum in geding anders is dan door de neuroloog in augustus 2020 vastgesteld. Verder herhaalt de verzekeringsarts b&b zijn bevindingen bij het onderzoek van de voeten, over de eeltvorming op eisers voetzolen. De rechtbank heeft die bevindingen echter al betrokken in de tussenuitspraak en dat onvoldoende redengevend geacht. Bovendien vindt de rechtbank de constatering van de verzekeringsarts b&b, dat eiser met
enige regelmaatloopt en staat, omdat als hij dit niet of nauwelijks zou doen er geen eeltlaag op zijn voetzolen zou zijn en enige mate van atrofie zijn waargenomen aan voeten en enkels, onvoldoende onderbouwing voor de vastgestelde belastbaarheid op voormelde beoordelingspunten, waarbij er van uit wordt gegaan dat eiser ongeveer een kwartier achtereen kan lopen en kan staan.
Arbeidskundige beoordeling
2.3.1
De arbeidsdeskundige b&b heeft in zijn rapportage van 3 december 2024, naar aanleiding van de tussenuitspraak, gesteld dat tot aan het beroep nergens uit blijkt dat eiser de Nederlandse taal onvoldoende spreekt. Hij wijst er daarbij op dat eiser al jaren in Nederland woont en in 2017 is geslaagd voor de inburgeringscursus. In het kader van de Ziektewetuitkering, die in 2020 is toegekend, is er regelmatig telefonisch contact met eiser geweest zonder inzet van een tolk. Uit die telefoonnotities blijkt dat eiser zijn situatie voldoende kon toelichten. Nergens wordt er melding van gemaakt dat eiser onvoldoende Nederlands spreekt. Dat blijkt ook niet in de rapportage van de UWV-arts van 3 augustus 2021, de WIA-aanvraag, de rapportages van de primaire verzekeringsarts van 15 november 2022 en van de arbeidsdeskundige van 19 januari 2023 of tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts b&b. Overigens kan eiser zijn spraak binnen zes maanden door een gerichte Nederlandse taalcursus op niveau brengen.
De arbeidsdeskundige b&b geeft verder aan dat de problemen waarmee klanten naar de callcentermedewerker bellen beperkt zijn en de oplossingen kunnen worden voorgelezen aan de hand van een stappenplan. Tijdens de inwerkperiode kan eiser zich de specifieke terminologie met uitspraak meer eigen maken. De arbeidsdeskundige b&b ziet dan ook geen reden om de functie callcentermedewerker niet geschikt te achten voor eiser.
2.3.2
Voor zover de arbeidsdeskundige b&b heeft bedoeld te verwijzen naar de veronderstelde bekwaamheid van artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, kan de functie callcentermedewerker met opleidingsniveau 2 daaronder niet worden geschaard. De rechtbank is echter van oordeel dat de arbeidsdeskundige b&b verder afdoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiser de Nederlandse taal onvoldoende spreekt om de functie callcentermedewerker niet passend te achten voor hem.

Conclusie en gevolgen

3.1
Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
3.2
De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Evenmin ziet zij reden om een deskundige te benoemen. De rechtbank is het namelijk met eiser eens dat de verzekeringsarts b&b (nog steeds) onvoldoende de belastbaarheid op de beoordelingspunten lopen en staan heeft onderbouwd. Het UWV moet daarom een nieuw besluit nemen, rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
3.3
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, heeft eiser recht op vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1. In totaal is de vergoeding € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier op 8 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.