ECLI:NL:RBZWB:2026:4207

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447232 / JE RK 26-661
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 lid 3 RvArt. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens huiselijk geweld en onveilige thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 16 april 2026 spoedig om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2025, vanwege ernstige en acute zorgen over diens veiligheid en ontwikkeling.

De kinderrechter constateerde langdurige en ernstige signalen van structureel huiselijk geweld tussen de ouders, waaronder verbaal, fysiek en seksueel geweld door de vader richting de moeder. Ondanks ontkenning door de moeder, bleven deze zorgen bestaan vanwege eerdere meldingen en letsel. Daarnaast waren er ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder, die onvoldoende in staat bleek te zijn te voorzien in basale verzorging en veiligheid, zoals onvoldoende voeding, gebrek aan interactie en onveilige situaties.

De moeder had zich herhaaldelijk onttrokken aan veiligheidsafspraken, waaronder het verlaten van het moeder-kindhuis en het delen van het geheime opvangadres met de vader. Op 16 april 2026 ontstond een acute noodsituatie doordat de plaatsing in het moeder-kindhuis werd beëindigd, waardoor de minderjarige zonder veilige verblijfplaats kwam te zitten.

De kinderrechter oordeelde dat een zitting niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Daarom werd de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee weken verleend, met ingang van 16 april 2026 tot 30 april 2026. De Raad, de gezinsvoogd, en ouders worden uitgenodigd voor een zitting op 28 april 2026 om hun mening te geven. Tegen de eindbeslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het spoedverzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe voor twee weken wegens ernstig en acuut gevaar voor de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447232 / JE RK 26-661
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
hierna te noemen de Raad,
locatie Breda,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge spoedverzoek van de Raad op 16 april 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt met spoed [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De Raad verzoekt tevens de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
4.2.
Uit het verzoek blijkt dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal voorlopig onder toezicht worden gesteld voor een termijn van twee weken, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek (artikel 1:257 BW Pro). Ook is de kinderrechter van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst (1:265b BW).
4.3.
Op basis van het toegelichte (spoed)verzoek is de kinderrechter van oordeel dat sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende.
4.4.
Uit de overgelegde stukken volgt dat er sprake is van ernstige en acute zorgen omtrent de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . Allereerst stelt de kinderrechter vast dat er langdurige en ernstige signalen zijn van structureel huiselijk geweld tussen de ouders. Er is sprake geweest van verbaal, fysiek en seksueel geweld door de vader richting de moeder waaronder zeer ernstige incidenten zoals verkrachtingen. Hoewel de moeder deze signalen nu ontkent, acht de kinderrechter deze zorgen niet weggenomen mede gelet op de eerdere meldingen, waarnemingen en letsel. De kinderechter vindt het risico dat [minderjarige] (opnieuw) wordt blootgesteld aan huiselijk geweld daardoor reëel en onverminderd aanwezig. Daarnaast zijn er ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder
.Tijdens de plaatsing in het moeder-kindhuis is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat is om te voorzien in de basale verzorging en veiligheid van [minderjarige]
.Zo krijgt [minderjarige] onvoldoende voeding, ontbreekt het aan voldoende interactie en affectie en is er sprake van onveilige situaties waaronder het oplopen van een brandwond en het onvoldoende toezicht houden op [minderjarige] . Ook reageert de moeder onvoldoende op aanwijzingen van de hulpverlening en brengt zij de adviezen niet in de praktijk waardoor er geen verbetering zichtbaar is
.
4.5.
Verder stelt de kinderrechter vast dat de moeder zich herhaaldelijk heeft onttrokken aan de gemaakte veiligheidsafspraken
.Zij is meerdere keren met [minderjarige] weggegaan uit het moeder-kindhuis, waaronder situaties waarbij zij contact zocht met de vader in strijd met de afspraken en waarbij de veiligheid van [minderjarige] niet kon worden gegarandeerd. Daarbij heeft moeder het adres van de geheime opvang gedeeld met de vader.
Op 16 april 2026 is een acute noodsituatie ontstaan doordat de plaatsing in het moeder-kindhuis per direct beëindigd is omdat de veiligheid daar niet langer kon worden gewaarborgd, waardoor [minderjarige] plotseling zonder veilige en stabiele verblijfplaats kwam te zitten. Tegelijkertijd is er geen veilig alternatief binnen het netwerk beschikbaar gebleken nu ook daar eerder de veiligheid niet kon worden geborgd.
4.6.
De kinderrechter is van oordeel dat de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden maken dat het noodzakelijk is dat er direct een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zal worden uitgesproken. De beschreven thuissituatie is onveilig voor [minderjarige] . Het is dan ook noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken is die de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen en zal bezien wat er nodig is om de situatie zodanig te verbeteren voor [minderjarige] . De verzoeken van de Raad zullen dan ook worden toegewezen.
4.7.
De Raad, de GI, de moeder en de vader van [minderjarige] worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder genoemde zitting. In afwachting van deze zitting zullen de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken worden verleend, te weten met ingang van 16 april 2026 en tot 30 april 2026. Verdere beslissingen op de verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 16 april 2026 en tot 30 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 16 april 2026 en tot 30 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek;
5.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat de Raad, de GI, de moeder en de vader van [minderjarige] zullen worden gehoord tijdens de zitting van
28 april 2026 te 13.45 uur, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. R.A. Borm voor de duur van 45 minuten;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en is schriftelijk uitgewerkt door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en Van Dijke als griffier op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.