Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- het mondelinge spoedverzoek van de Raad op 16 april 2026;
- de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
.Tijdens de plaatsing in het moeder-kindhuis is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat is om te voorzien in de basale verzorging en veiligheid van [minderjarige]
.Zo krijgt [minderjarige] onvoldoende voeding, ontbreekt het aan voldoende interactie en affectie en is er sprake van onveilige situaties waaronder het oplopen van een brandwond en het onvoldoende toezicht houden op [minderjarige] . Ook reageert de moeder onvoldoende op aanwijzingen van de hulpverlening en brengt zij de adviezen niet in de praktijk waardoor er geen verbetering zichtbaar is
.
.Zij is meerdere keren met [minderjarige] weggegaan uit het moeder-kindhuis, waaronder situaties waarbij zij contact zocht met de vader in strijd met de afspraken en waarbij de veiligheid van [minderjarige] niet kon worden gegarandeerd. Daarbij heeft moeder het adres van de geheime opvang gedeeld met de vader.
5.De beslissing
28 april 2026 te 13.45 uur, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. R.A. Borm voor de duur van 45 minuten;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.