ECLI:NL:RBZWB:2026:4252
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom gemeentelijk monument
Deze zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk aan verzoekster heeft opgelegd. Het college eiste dat verzoekster uiterlijk op 28 april 2026 informatie verstrekte over werkzaamheden en de staat van een gemeentelijk monument. Bij niet-naleving zou een dwangsom van € 500,- verbeurd zijn.
Verzoekster maakte bezwaar en stelde dat sprake was van een spoedeisende situatie, mede vanwege reeds gemaakte kosten van € 20.000,- voor behoud van het monument. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het verzoek om voorlopige voorziening te laat was ingediend, namelijk na het verstrijken van de begunstigingstermijn, waardoor geen spoedeisend belang bestond.
Daarnaast concludeerde de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was en dat het college al eerder had gevorderd de gevraagde gegevens te verstrekken. Het verzoek om schorsing kon niet voorkomen dat de dwangsom was verbeurd. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.J. Schouw op 12 mei 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.