ECLI:NL:RBZWB:2026:4253

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
25/5543
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag aanvullende bijstand wegens gezamenlijke huishouding en financiële verstrengeling

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor aanvullende bijstand op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen is afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op het standpunt dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met haar medebewoner, waardoor zij niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres en haar medebewoner beiden hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en dat er sprake is van financiële verstrengeling, zoals het gezamenlijk dragen van huur en energiekosten, het afwisselend doen van boodschappen met wederzijdse betalingen, en het gebruik van elkaars middelen. Dit voldoet aan de criteria voor een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3 lid 3 van Pro de Participatiewet.

Eiseres voerde aan dat zij niet rond kan komen van haar uitkering en dat de huur door de medebewoner wordt betaald, maar de rechtbank oordeelde dat de actuele situatie na de aanvraagperiode niet relevant is voor de beoordeling. De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor aanvullende bijstand wordt ongegrond verklaard wegens het bestaan van een gezamenlijke huishouding met financiële verstrengeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5543 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om algemene (aanvullende) bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering in aanvulling op haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen uit arbeid (WIA) inclusief toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. In dit besluit stond echter vermeld dat het bezwaar gegrond werd verklaard, daarom heeft het college het bestreden besluit op 22 september 2025 herzien, in die zin dat het bezwaar van eiseres alsnog ongegrond wordt verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en mr. T. Spaan namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is op 23 januari 2025, samen met haar medebewoner de heer [persoon] , verhuisd naar een adres binnen de gemeente Dongen. Eiseres en de medebewoner waren eerst woonachtig binnen de gemeente Sliedrecht, waar zij in aanvulling op haar WIA-uitkering een bijstandsuitkering met toepassing van de kostendelersnorm ontving.
3.1.
Voorafgaand aan haar verhuizing heeft eiseres een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande aangevraagd bij het college van de gemeente Dongen. Het college heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van eiseres en haar medebewoner en een huisbezoek afgelegd op 4 maart 2025. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen is op 17 april 2025 besloten om de aanvraag van eiseres af te wijzen. Eiseres heeft bezwaar ingediend, waarna het college is overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit.
Standpunt van het college
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met haar medebewoner. Zij hebben beiden hoofdverblijf in dezelfde woning. Daarnaast is er sprake van financiële verstrengeling en wederzijdse zorg op andere wijze. De aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande moet daarom worden afgewezen, nu zij geen zelfstandig subject van bijstand is en de aanvraag niet mede is ingediend door de medebewoner.
Beroepsgronden
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet rond kan komen van haar beperkte uitkering van het UWV. Daarom wordt de huur door de medebewoner betaald. Ook heeft zij schulden opgebouwd. Zij hoopt dat de rechtbank haar kan helpen zodat zij alsnog een bijstandsuitkering ontvangt. Ter zitting heeft zij nader toegelicht dat ze het niet eens is met de conclusie van het college dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Toetsingskader
6. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Pw is er sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Inhoud van het geschil
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres en de medebewoner beiden hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Aan de eerste voorwaarde voor een gezamenlijke huishouding is daarmee voldaan. Partijen zijn verdeeld over de vraag of ook voldaan is aan de tweede voorwaarde, het zorgdragen voor elkaar.
7.1.
De door de rechtbank te beoordelen periode bij een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 21 januari 2025 tot en met 17 april 2025. De mogelijk gewijzigde (actuele) situatie waaraan eiseres ter zitting refereerde kan daarom geen rol spelen bij de beoordeling van dit beroep.
Financiële verstrengeling
8. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan de wederzijdse zorg blijken uit een financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. [1] Hierbij kan gedacht worden aan gezamenlijke bankrekeningen, het gezamenlijk dragen van grote uitgaven, het financieel ondersteunen van de ander of het gezamenlijk aangaan van verplichtingen (zoals leningen).
8.1.
Uit de door eiseres ingevulde vragenlijst blijkt dat de medebewoner de huur en energienota van de woning betaalt. De huurtoeslag wordt door eiseres ontvangen. Verder worden de boodschappen afwisselend door eiseres en de medebewoner gedaan. Als eiseres de boodschappen doet, ontvangt zij hiervoor regelmatig geld van de medebewoner. Ook gebruikt de medebewoner de auto van eiseres voor zijn werk en betaalt hij hiervoor de benzine. Gelet op deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat er gedurende de te beoordelen periode sprake was van financiële verstrengeling.
8.2.
Voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is niet zowel financiële verstrengeling als wederzijdse zorg op andere wijze vereist. [2] Reeds gelet op de vastgestelde financiële verstrengeling is de rechtbank van oordeel dat het college terecht een gezamenlijke huishouding heeft aangenomen en daarom de aanvraag van eisers om een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande mocht afwijzen. Aan de vraag of (ook) sprake was van wederzijdse zorg op andere wijze, komt de rechtbank daarom niet toe.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college waarin het bezwaar van eiseres ongegrond wordt verklaard, in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 18 mei 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2252.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2021:BV1924.