Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.190 die de inspecteur heeft opgelegd na een hertaxatie van een Mercedes-Benz GLC-klasse. De inspecteur stelde dat de handelsinkoopwaarde te laag was vastgesteld en berekende de BPM op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van de uitspraak op bezwaar. De stelling van belanghebbende dat de auto essentiële gebreken had op het moment van aangifte wordt niet aannemelijk geacht, mede omdat de WOK-status pas later is toegekend en de taxatierapporten geen essentiële gebreken vermelden.
Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de schade aan de auto hoger is dan door de inspecteur erkend. Ook de waardevermindering wegens schadeverleden is niet bewezen. Een beroep op de koerslijstmethode leidt niet tot een lagere BPM dan de naheffingsaanslag. Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt.
Daarnaast worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om immateriële schadevergoeding toegekend, maar het griffierecht wordt niet vergoed. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.