Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4259

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/11887
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding na overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.190 die de inspecteur heeft opgelegd na een hertaxatie van een Mercedes-Benz GLC-klasse. De inspecteur stelde dat de handelsinkoopwaarde te laag was vastgesteld en berekende de BPM op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van de uitspraak op bezwaar. De stelling van belanghebbende dat de auto essentiële gebreken had op het moment van aangifte wordt niet aannemelijk geacht, mede omdat de WOK-status pas later is toegekend en de taxatierapporten geen essentiële gebreken vermelden.

Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de schade aan de auto hoger is dan door de inspecteur erkend. Ook de waardevermindering wegens schadeverleden is niet bewezen. Een beroep op de koerslijstmethode leidt niet tot een lagere BPM dan de naheffingsaanslag. Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt.

Daarnaast worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om immateriële schadevergoeding toegekend, maar het griffierecht wordt niet vergoed. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11887

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.190 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 24 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz GLC-klasse 200 4MATIC Business Solution met VIN-nummer [nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.061.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Blijkens het taxatierapport is de auto op 16 juni 2022 door de taxateur van belanghebbende geschouwd.
4.2.
De RDW heeft aan de auto in het kentekenregister van 29 juni 2022 tot 4 augustus 2022 een WOK-status toegekend.
4.3.
Op 5 juli 2022 heeft belanghebbende de auto in het kader van hertaxatie aan DRZ getoond.
4.4.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de hertaxatie door DRZ het standpunt ingenomen dat de handelsinkoopwaarde door belanghebbende op een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel op € 7.251 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen.
Mandaatverbod
5.1.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
5.2.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat [persoon 3] de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.
5.3.
Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.
Schade(verleden)
5.4.
Partijen verschillen verder van mening of schade aan de auto in aanmerking kan worden genomen. De inspecteur stelt dat dat niet kan, omdat de auto essentiële gebreken had op het moment van doen van de aangifte. Daartoe wijst de inspecteur op de bij de RDW geregistreerde WOK-status van de auto. Weliswaar heeft de RDW de WOK-status pas op 29 juni 2022 geregistreerd, maar de inspecteur acht aannemelijk dat ook op het moment van het doen van de aangifte (24 juni 2022) al sprake was van essentiële gebreken.
5.5.
Belanghebbende betwist dat. Volgens haar had de auto op het moment van het doen van aangifte geen essentiële gebreken. Wel dient het schadeverleden van de auto te leiden tot een correctie op de handelsinkoopwaarde, aldus belanghebbende.
5.6.
De rechtbank komt tot het oordeel dat in beginsel de verschuldigde Bpm van de auto aan de hand van de taxatiemethode kan worden bepaald. De inspecteur stelt weliswaar dat de auto essentiële gebreken vertoonde, maar maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk. Zo is de WOK-status pas van latere datum, en ook in het taxatierapport en rapport van DRZ worden essentiële gebreken aan de auto niet in de rapportage vermeldt. De enkele stelling dat de auto essentiële gebreken had, is daarom onvoldoende voor het oordeel dat de taxatiemethode niet zou kunnen worden toegepast.
5.7.
Belanghebbende voert aan dat de inspecteur in de handelsinkoopwaarde onvoldoende rekening heeft gehouden met schade en het schadeverleden van de auto. De taxateur heeft die schade in totaal becijferd op € 31.601,87 (inclusief BTW), waarvan € 9.966 exclusief BTW een waardevermindering wegens ex (wok) schade is, aldus belanghebbende.
5.8.
Ter onderbouwing van de schade heeft belanghebbende een taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de schade is opgenomen, en verder heeft zij foto’s overgelegd van de auto. De inspecteur wijst op het rapport van DRZ, waarin de taxateur van DRZ zijn bevindingen en opmerkingen over de auto heeft opgenomen. De taxateur van DRZ geeft in dat rapport commentaar op de door belanghebbende opgevoerde schade. De taxateur van DRZ heeft € 2.763 aan schade geconstateerd. 72 procent van die schade heeft de inspecteur als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen.
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur en het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat met een hoger bedrag aan schade rekening moet worden gehouden dan de inspecteur reeds heeft gedaan. De door belanghebbende (meer) gestelde schade is onvoldoende inzichtelijk gemaakt dan wel behelst niet meer dan normale gebruiksschade. Verder heeft belanghebbende haar stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van [bedrijf] , in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt.
5.10.
Belanghebbende voert verder aan dat het schadeverleden van de auto moet leiden tot een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van de auto. Belanghebbende wijst in dat kader eveneens op het taxatierapport, en van de auto overgelegde foto’s. Naar het oordeel van de rechtbank maakt belanghebbende de waardevermindering vanwege het schadeverleden van de auto niet aannemelijk. Uit de overgelegde foto’s is door de rechtbank niet op te maken dat de auto een schadeverleden heeft. De waardevermindering wegens een schadeverleden is dus niet aannemelijk gemaakt.
Koerslijst
5.11.
De rechtbank begrijpt het beroep van belanghebbende zo dat nu een waardevermindering van de auto wegens schade niet aannemelijk is gemaakt, zij een beroep doet op de koerslijstmethode. In dat kader voert belanghebbende aan dat op de handelsinkoopwaarde zoals die volgt uit de koerslijst Xray (€ 37.046) een correctie moet worden toegepast wegens het schadeverleden van de auto (van € 9.966).
5.12.
In de door belanghebbende aangevoerde correctie van de koerslijst gaat de rechtbank niet mee. Zij is namelijk van oordeel dat belanghebbende waardevermindering vanwege het schadeverleden niet aannemelijk heeft gemaakt (zie ook 5.10). Dat betekent dat de handelsinkoopwaarde zoals gegeven door de koerslijst Xray niet wordt verminderd.
5.13.
Voor dat geval leidt een beroep op de koerslijstmethode niet tot een lager bedrag aan Bpm dan waar de inspecteur, door middel van toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel, in de naheffingsaanslag van uit is gegaan [1] . De naheffingsaanslag is dus niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
5.14.
Belanghebbende heeft op 18 december 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.15.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 21 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 18 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
5.16.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt 5/17e deel, derhalve € 441,18 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.058,82 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 441,18;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.058,82;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Berekening van de Bpm aan de hand van de koerslijst zou leiden tot een verschuldigd bedrag aan Bpm van € 7.823 (variabelen: historische bruto Bpm € 15.651, historische nieuwprijs € 74.120 en handelsinkoopwaarde € 37.046).
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.