Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4265

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/11127
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling BPMArt. 10 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en recht op immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.680 die de inspecteur oplegde na afwijzing van de door belanghebbende gebruikte taxatiemethode. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de koerslijstmethode toepaste omdat de fysieke opname van de auto meer dan een maand voor het afschrijvingsmoment plaatsvond, waardoor het taxatierapport niet gebruikt kon worden.

Belanghebbende stelde dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd was genomen, maar de rechtbank vond dat de inspecteur het mandaatverbod niet had geschonden en dat belanghebbende geen eerlijk proces was onthouden. De rechtbank wees het beroep inhoudelijk af omdat de inspecteur de juiste koerslijst gebruikte voor de berekening van de BPM.

Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met 19 maanden werd overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 2.000. Deze vergoeding en de proceskosten worden deels door de inspecteur en deels door de Staat betaald. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijn op het moment van het verzoek nog niet was overschreden.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11127

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijf] V.O.F., te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.680 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 4 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Ford Transit Kombi met VIN-nummer [nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 13.848.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 26 april 2022 vermeldt als datum waarop de auto fysiek is geschouwd.
4.2.
De auto is door de RDW op 6 juni 2022 gekeurd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de afschrijving van de auto niet op basis van het taxatierapport kan worden bepaald, omdat de fysieke opname niet binnen een maand voor het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm, aan de hand van de door belanghebbende bij het taxatierapport gevoegde koerslijst, berekend op € 18.528 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen.
Mandaatverbod
5.1.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
5.2.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat [persoon 3] de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.
5.3.
Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.
Taxatiemethode?
5.4.
Tussen partijen staat vast dat het moment waarop de auto door de RDW is gekeurd, het afschrijvingsmoment, 6 juni 2022 is, en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport in opdracht van belanghebbende op 26 april 2022 heeft plaatsgevonden. Hiermee staat vast dat de fysieke schouw van de auto meer dan een maand voor de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden.
5.5.
Belanghebbende stelt dat zij, hoewel de fysieke opname langer dan een maand voor de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden, toch aangifte mocht doen met gebruikmaking van de taxatiemethode. Volgens haar kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM niet zo zijn bedoeld, dat in het geval het taxatierapport eerder is opgesteld, daar geen gebruik meer van kan worden gemaakt.
5.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:
“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.” [1]
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van Pro de Wet BPM. Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM kan redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld langer dan een maand voor het afschrijvingsmoment. Die lezing druist naar het oordeel van de rechtbank ook niet in tegen enig rechtsbeginsel. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.
Koerslijstmethode
5.8.
Voor dat geval zijn partijen het er over eens dat de verschuldigde Bpm kan worden bepaald aan de hand van de koerslijstmethode. In dat kader is tussen partijen de historische nieuwprijs van de auto in geschil.
5.9.
Belanghebbende voert aan dat de historische nieuwprijs moet worden bepaald aan de hand van de koerslijst Eurotax. De inspecteur betwist toepassing van de koerslijst van Eurotax. Volgens hem heeft de koerslijst van Eurotax betrekking op een Ford transit met kenmerk “L2H1” terwijl de uitvoering van de auto van belanghebbende een “L2H2” is. De inspecteur betoogt dat dat daadwerkelijk een andere auto is. De ene uitvoering betreft een middelgrote bestelwagen, en de andere uitvoering een grote bestelwagen. Omdat de auto van belanghebbende een “L2H2” uitvoering is, kan de koerslijst van Eurotax niet worden gebruikt om de verschuldigde Bpm van de auto te berekenen. De koerslijst van Autotelex Pro moet als als uitgangspunt worden genomen, omdat die koerslijst wel van de juiste uitvoering van de auto uitgaat, aldus de inspecteur.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat voor toepassing van de koerslijstmethode de koerslijst van Autotelex Pro als uitgangspunt moet worden genomen. De inspecteur heeft aangevoerd dat de koerslijst van Eurotax ziet op een andere auto, dan de auto van belanghebbende. Belanghebbende heeft tegenover deze gemotiveerde betwisting, naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de koerslijst van Eurotax geschikt is voor de berekening van de verschuldigde Bpm van de auto. Dat betekent dat de inspecteur de historische nieuwprijs van de auto niet tot een te laag bedrag heeft vastgesteld.
5.11.
Ook al het overige gestelde door belanghebbende, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.
Immateriële schadevergoeding
5.12.
Belanghebbende heeft op 26 november 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 10 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 18 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 19 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
5.14.
Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt 6/19e deel, derhalve € 631,58 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.368,42 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 631,58;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.368,42;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Besluit van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821 (Stcrt. 2021, 48636, p. 36).
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.