Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.680 die de inspecteur oplegde na afwijzing van de door belanghebbende gebruikte taxatiemethode. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de koerslijstmethode toepaste omdat de fysieke opname van de auto meer dan een maand voor het afschrijvingsmoment plaatsvond, waardoor het taxatierapport niet gebruikt kon worden.
Belanghebbende stelde dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd was genomen, maar de rechtbank vond dat de inspecteur het mandaatverbod niet had geschonden en dat belanghebbende geen eerlijk proces was onthouden. De rechtbank wees het beroep inhoudelijk af omdat de inspecteur de juiste koerslijst gebruikte voor de berekening van de BPM.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met 19 maanden werd overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 2.000. Deze vergoeding en de proceskosten worden deels door de inspecteur en deels door de Staat betaald. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijn op het moment van het verzoek nog niet was overschreden.