Belanghebbende deed aangifte BPM voor een Audi Q3 en gebruikte daarbij de taxatiemethode met een taxatierapport dat een dag na de RDW-keuring was opgesteld. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat de fysieke opname niet binnen een maand vóór het afschrijvingsmoment had plaatsgevonden en hanteerde de forfaitaire afschrijvingstabel.
Belanghebbende stelde dat het taxatierapport toch mocht worden gebruikt en voerde een mandaatverbod aan tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verwierp het mandaatverweer en oordeelde dat het taxatierapport niet gebruikt kon worden omdat het na het afschrijvingsmoment was opgesteld, conform artikel 8, vierde lid, Uitvoeringsregeling BPM.
De rechtbank stelde vast dat de koerslijstmethode van toepassing was en verminderde de naheffingsaanslag tot € 10.646. Tevens werd een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend en een immateriële schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat kwam. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 3.200 en het griffierecht van € 184 werd vergoed.